Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Jeremia 4:1-31

INHOUD

  • Berouw leidt tot zegeningen (1-4)

  • Ellende uit het noorden (5-18)

  • Jeremia’s verdriet over komende ellende (19-31)

4  ‘Als je terugkomt, Israël,’ verklaart Jehovah, ‘als je bij me terugkomt en als je je walgelijke afgoden uit mijn zicht verwijdert, dan zul je geen vluchteling zijn.+   En als je zweert in waarheid, gerechtigheid en rechtvaardigheid: “Zo zeker als Jehovah leeft!”, dan zullen de volken door hem een zegen voor zichzelf verkrijgen, en vol trots zullen ze over hem praten.’+  Want dit zegt Jehovah tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem: ‘Ploeg bebouwbaar land om en blijf niet tussen doorns zaaien.+   Besnijd je voor Jehovah en verwijder de voorhuid van je hart,+ jullie mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem, anders zal mijn woede oplaaien als een vuur en branden zonder dat iemand het dooft, vanwege je slechte daden.’+   Vertel het in Juda en verkondig het in Jeruzalem. Schreeuw en blaas de hoorn in het hele land.+ Roep luid en zeg: ‘Kom bij elkaar en laten we naar de vestingsteden vluchten.+   Hef een signaal* omhoog richting Sion. Zoek een schuilplaats, blijf niet staan’, want ik breng ellende uit het noorden,+ een grote ramp.   Hij komt tevoorschijn als een leeuw uit het struikgewas,+ degene die volken vernietigt, trekt eropuit.+ Hij is uit zijn plaats vertrokken om van je land een schrikbeeld te maken. Je steden zullen in ruïnes worden veranderd, zonder inwoners.+   Doe daarom zakken aan.+ Rouw* en huil, want de brandende woede van Jehovah is nog steeds op ons gericht.   ‘Op die dag’, verklaart Jehovah, ‘zal de koning de moed* verliezen,+ en ook de leiders zullen de moed* verliezen. De priesters zullen geschokt zijn, de profeten zullen verbijsterd zijn.’+ 10  Toen zei ik: ‘O Soevereine Heer Jehovah! U hebt dit volk en Jeruzalem volledig misleid+ door te zeggen: “Jullie zullen vrede hebben”,+ maar nu staat het zwaard ons op de keel.’* 11  In die tijd zal tegen dit volk en tegen Jeruzalem worden gezegd: ‘Een verschroeiende wind uit de kale heuvels van de woestijn zal neerkomen op mijn dochter,* mijn volk. Hij komt niet om te wannen of om te zuiveren. 12  Op mijn bevel komt de wind met volle kracht uit die plaatsen. Nu zal ik oordelen tegen hen uitspreken. 13  Kijk! Hij zal komen als regenwolken en zijn wagens zijn als een stormwind.+ Zijn paarden zijn sneller dan arenden.+ Wee ons, want het wordt onze ondergang! 14  Reinig je hart van slechtheid, Jeruzalem, dan word je gered.+ Hoelang zul je nog slechte gedachten koesteren? 15  Want een stem vertelt het nieuws uit Dan+ en verkondigt vreselijke berichten uit de bergen van Efraïm. 16  Meld het aan de volken. Verkondig het aan Jeruzalem.’ ‘Er komen verkenners* uit een ver land en ze zullen een strijdkreet aanheffen tegen de steden van Juda. 17  Ze komen van alle kanten op haar af als bewakers van het open veld,+ omdat ze tegen mij in opstand is gekomen’,+ verklaart Jehovah. 18  ‘Jij zult moeten boeten voor je gedrag en je daden.+ Wat is je ellende bitter, het komt zelfs tot in je hart.’ 19  Wat een ellende!* Wat een ellende! Ik voel hevige pijn in mijn hart.* Mijn hart gaat in me tekeer. Ik kan niet blijven zwijgen, want ik* heb het geluid van de hoorn gehoord, het alarmsignaal van oorlog.*+ 20  Ramp na ramp wordt gemeld, want het hele land is verwoest. Mijn eigen tenten zijn plotseling verwoest, mijn tentkleden in een ogenblik.+ 21  Hoelang zal ik het signaal nog zien, het geluid van de hoorn+ nog horen? 22  ‘Want mijn volk is dwaas.+ Ze negeren me. Het zijn domme zonen zonder verstand. Als het om slechte dingen gaat zijn ze slim* genoeg, maar hoe ze het goede moeten doen weten ze niet.’ 23  Ik keek naar het land en zag dat het woest en leeg was.+ Ik keek naar de hemel en het licht was verdwenen.+ 24  Ik keek naar de bergen en zag ze schudden, ik zag de heuvels beven.+ 25  Ik keek en zag dat er niemand was en dat de vogels in de lucht allemaal vertrokken waren.+ 26  Ik keek en zag dat de boomgaard een wildernis was geworden en dat de steden ervan allemaal verwoest waren.+ Het kwam door Jehovah, door zijn brandende woede. 27  Want dit zegt Jehovah: ‘Het hele land zal woest komen te liggen,+ maar ik zal niet alles vernietigen. 28  Daarom zal het land rouwen,+ de hemel boven zal donker worden.+ Want ik heb het gezegd en ik heb het besloten. Ik zal niet van gedachten veranderen,* ik zal er niet op terugkomen.+ 29  Bij het geluid van de ruiters en boogschutters slaat de hele stad op de vlucht.+ Ze gaan het struikgewas in en klimmen de rotsen op.+ Elke stad is verlaten, er woont niemand meer.’ 30  Wat ga je doen nu je verwoest bent? Je droeg altijd kleding van scharlaken, je deed gouden sieraden om en maakte je ogen groter met zwarte verf.* Maar je hebt je voor niets mooi gemaakt.+ Degenen die naar je hunkerden hebben je afgewezen en nu staan ze je naar het leven.*+ 31  Want ik heb een geluid gehoord als van een zieke vrouw, geschreeuw als van een vrouw die haar eerste kind krijgt, de stem van de dochter Sion, die naar adem blijft snakken. Ze spreidt haar handen uit+ en zegt: ‘Wee mij, want ik* ben uitgeput vanwege de moordenaars!’

Voetnoten

Of ‘signaalmast’.
Of ‘sla je op de borst’.
Lett.: ‘het hart’.
Lett.: ‘het hart’.
Of ‘heeft het zwaard onze ziel bereikt’.
Een poëtische personificatie, misschien om medelijden uit te drukken.
Of ‘wachters’.
Lett.: ‘Mijn ingewanden!’
Lett.: ‘de wanden van mijn hart’.
Of ‘mijn ziel’.
Of mogelijk ‘het geluid van de strijdkreet’.
Of ‘wijs’.
Of ‘geen spijt voelen’.
Of ‘oogschaduw’.
Of ‘zoeken ze je ziel’.
Of ‘mijn ziel’.