Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Jeremia 3:1-25

INHOUD

  • Omvang Israëls afvalligheid (1-5)

  • Israël en Juda schuldig aan overspel (6-11)

  • Oproep tot berouw (12-25)

3  Mensen vragen: ‘Als een man zijn vrouw wegstuurt en ze bij hem weggaat en de vrouw wordt van een andere man, mag hij dan nog bij haar terugkomen?’ Is dat land niet totaal verontreinigd?+ ‘Je hebt je geprostitueerd met veel mannen+ en zou je dan nu bij me terugkomen?’, verklaart Jehovah.   ‘Kijk eens goed naar de kale heuvels. Waar ben je níét verkracht? Je ging voor ze langs de wegen zitten, als een nomade* in de woestijn. Je blijft het land verontreinigen met je prostitutie en je slechtheid.+   Daarom worden regenbuien tegengehouden+ en is er geen regen in de lente. Je hebt de schaamteloze blik* van een vrouw die zich prostitueert. Je weigert je te schamen.+   Maar nu roep je naar me: “Mijn Vader, u bent de vriend van mijn jeugd!+   Moet iemand voor eeuwig kwaad blijven of altijd wrok blijven voelen?” Dat is wat je zegt, maar je blijft zo veel mogelijk slechte dingen doen.’+  In de tijd van koning Josi̱a+ zei Jehovah tegen me: ‘“Heb je gezien wat het ontrouwe Israël heeft gedaan? Ze bedreef prostitutie op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom.+  Zelfs nadat ze dat allemaal had gedaan, bleef ik zeggen dat ze bij me terug moest komen,+ maar ze kwam niet terug. En Juda bleef naar haar trouweloze zus+ kijken.  Toen ik dat zag, stuurde ik het ontrouwe Israël weg met een volledige echtscheidingsakte+ vanwege haar overspel.+ Maar Juda, haar trouweloze zus, liet zich niet afschrikken. Ook zij ging eropuit om zich te prostitueren.+  Ze dacht heel makkelijk over haar prostitutie, en ze bleef het land verontreinigen en overspel plegen met stenen en met bomen.+ 10  Ondanks dat alles kwam Juda, de trouweloze zus, niet met haar hele hart bij me terug — ze deed maar alsof”, verklaart Jehovah.’ 11  Toen zei Jehovah tegen me: ‘Het ontrouwe Israël heeft laten zien dat ze* rechtvaardiger is dan het trouweloze Juda.+ 12  Ga en maak deze woorden aan het noorden+ bekend: “‘Kom terug, afvallig Israël’, zegt Jehovah.”+ “‘Ik zal jullie niet boos aankijken,+ want ik ben loyaal’, verklaart Jehovah.” “‘Ik zal niet altijd kwaad blijven. 13  Alleen, erken je schuld, want je bent in opstand gekomen tegen Jehovah, je God. Onder elke bladerrijke boom bleef je je gunsten* rondstrooien onder vreemden,* maar jullie wilden mijn stem niet gehoorzamen’, verklaart Jehovah.”’ 14  ‘Kom terug, afvallige zonen’, verklaart Jehovah. ‘Want ik ben jullie echte meester* geworden. En ik zal jullie halen, één uit een stad en twee uit een familie, en ik zal jullie naar Sion brengen.+ 15  Ik zal jullie herders naar mijn hart geven+ en ze zullen jullie voeden met kennis en inzicht. 16  Jullie zullen in die tijd talrijk worden en vrucht dragen in het land’, verklaart Jehovah.+ ‘Ze zullen niet meer zeggen: “De ark van het verbond van Jehovah!” Ze zullen er niet aan denken,* zich hem niet herinneren en hem niet missen, en er zal geen andere worden gemaakt. 17  In die tijd zal men Jeruzalem de troon van Jehovah+ noemen. En alle volken zullen bij elkaar gebracht worden in Jeruzalem,+ bij de naam van Jehovah, en ze zullen niet meer koppig hun eigen slechte hart volgen.’ 18  ‘In die tijd zullen ze verenigd worden,* het huis van Juda en het huis van Israël,+ en samen zullen ze uit het land van het noorden komen naar het land dat ik jullie voorouders als erfdeel heb gegeven.+ 19  En ik dacht: Ik wil je graag een plaats bij de zonen geven en je het begeerlijke land geven, het mooiste erfdeel onder de volken.*+ Ik dacht ook dat jullie me “Vader!” zouden noemen en dat jullie er niet mee zouden stoppen me te volgen. 20  “Maar zoals een vrouw trouweloos haar man* verlaat, zo ben jij, huis van Israël, mij ontrouw geweest”,+ verklaart Jehovah.’ 21  Op de kale heuvels is een geluid te horen, het huilen en smeken van het volk Israël, want ze zijn een verdorven weg gegaan, ze zijn Jehovah, hun God, vergeten.+ 22  ‘Kom terug, afvallige zonen. Ik zal jullie afvallige toestand genezen.’+ ‘Hier zijn we! We zijn bij u gekomen, want u, Jehovah, bent onze God.+ 23  De heuvels en het rumoer op de bergen zijn een en al bedrog.+ Maar bij Jehovah, onze God, is redding voor Israël.+ 24  Maar vanaf onze jeugd heeft het schandelijke ding* het harde werk van onze voorouders verslonden,+ hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters. 25  Laten we gaan liggen in onze schaamte en laat onze schande ons bedekken, want we hebben gezondigd tegen Jehovah, onze God,+ wij en onze vaders, van onze jeugd af tot op deze dag,+ en we hebben niet geluisterd naar Jehovah, onze God.’

Voetnoten

Lett.: ‘Arabier’.
Lett.: ‘het voorhoofd’.
Of ‘haar ziel’.
Lett.: ‘wegen’.
Of ‘vreemde goden’.
Of mogelijk ‘jullie echtgenoot’.
Of ‘hij zal niet in het hart opkomen’.
Lett.: ‘wandelen’.
Lett.: ‘van de legers van de volken’.
Lett.: ‘vriend’.
Of ‘de schandelijke god’.