Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Hosea 2:1-23

INHOUD

  • Ontrouw Israël gestraft (1-13)

  • Teruggebracht bij Jehovah, haar echtgenoot (14-23)

    • ‘Je zult me “mijn man” noemen’ (16)

2  Zeg tegen jullie broeders: “Mijn volk!”*+ en tegen jullie zusters: “O vrouw die barmhartig is behandeld!”*+   Klaag jullie moeder aan, klaag haar aan, want ze is niet mijn vrouw+ en ik ben niet haar man. Ze moet haar prostitutie* van zich wegdoen en haar overspel tussen haar borsten weghalen.   Anders zal ik haar uitkleden en haar naakt maken zoals op de dag dat ze werd geboren, en zal ik haar als een woestijn maken, haar in een dorre streek veranderen en haar van dorst laten sterven.   En voor haar zonen zal ik niet barmhartig zijn, want het zijn zonen van prostitutie.   Hun moeder heeft zich geprostitueerd.+ Zij die zwanger van hen was, heeft zich schandelijk gedragen,+ want ze zei: “Ik zal achter mijn hartstochtelijke minnaars aan gaan,+ degenen die me mijn brood en mijn water geven, mijn wol en mijn linnen, mijn olie en mijn drank.”   Daarom zal ik je weg versperren met doornstruiken. Ik zal een stenen muur tegen haar optrekken, zodat ze haar weg niet kan vinden.   Ze zal achter haar hartstochtelijke minnaars aan gaan, maar ze zal hen niet inhalen.+ Ze zal hen zoeken, maar ze zal hen niet vinden. Dan zal ze zeggen: “Ik ga terug naar mijn eerste man,+ want ik had het toen beter dan nu.”+   Ze erkende niet dat ik het was die haar het graan,+ de nieuwe wijn en de olie had gegeven, dat ik haar zilver in overvloed had gegeven en goud, dat men voor Baäl gebruikte.+   “Daarom zal ik teruggaan en mijn graan weghalen als het de tijd is voor de oogst en mijn nieuwe wijn als het de tijd ervoor is,+ en ik zal mijn wol en mijn linnen die haar naaktheid moesten bedekken, wegrukken. 10  Nu zal ik haar geslachtsdelen ontbloten voor de ogen van haar hartstochtelijke minnaars, en niemand zal haar uit mijn handen bevrijden.+ 11  Ik zal een eind maken aan al haar vreugde, haar feestdagen,+ haar nieuwemaansvieringen, haar sabbatten en al haar feesten. 12  En ik zal haar wijnstokken en haar vijgenbomen verwoesten, waarover ze heeft gezegd: ‘Dit is mijn loon, dat mijn hartstochtelijke minnaars me gegeven hebben.’ Ik zal ze in een woud veranderen en ze zullen door de wilde dieren verslonden worden. 13  Ik zal haar ter verantwoording roepen voor de tijd dat ze offers aan de Baälsbeelden bracht,+ toen ze zich tooide met haar ringen en haar sieraden en achter haar hartstochtelijke minnaars aan ging. Maar mij vergat ze”,+ verklaart Jehovah. 14  “Daarom zal ik haar overhalen, ik zal haar meenemen naar de woestijn en met haar praten om haar hart te winnen. 15  Ik zal haar vanaf die tijd haar wijngaarden teruggeven+ en het A̱chordal*+ als een poort van hoop. Ze zal me daar antwoorden zoals in de dagen van haar jeugd, zoals op de dag dat ze uit Egypte vertrok.+ 16  En op die dag”, verklaart Jehovah, “zul je me ‘mijn man’ noemen en je zult me niet meer ‘mijn meester’* noemen.” 17  “Ik zal de namen van de Baälsbeelden uit haar mond verwijderen+ en men zal zich hun naam niet meer herinneren.+ 18  Op die dag zal ik een verbond* voor hen sluiten met de wilde dieren van het veld,+ met de vogels in de lucht en de kruipende dieren op de grond.+ Ik zal boog, zwaard en oorlog uit het land verwijderen+ en ik zal hen in veiligheid laten neerliggen.*+ 19  Ik zal me met je verloven, voor altijd. Ik zal me met je verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid, in loyale liefde en in barmhartigheid.+ 20  Ik zal me met je verloven in getrouwheid, en je zult Jehovah beslist kennen.”+ 21  “Op die dag zal ik antwoorden,” verklaart Jehovah, “ik zal de hemel antwoorden en die zal de aarde antwoorden.+ 22  De aarde zal het graan, de nieuwe wijn en de olie antwoorden, en die zullen Ji̱zreël*+ antwoorden. 23  Ik zal haar als zaad voor mij in de aarde zaaien+ en ik zal barmhartig zijn voor haar die niet barmhartig behandeld is.* Tegen hen die mijn volk niet waren zal ik zeggen:* ‘Jullie zijn mijn volk’,+ en zij zullen zeggen: ‘U bent mijn God.’”’+

Voetnoten

Zie Ho 1:9, vtn.
Zie Ho 1:6, vtn.
Of ‘immoraliteit’, ‘promiscuïteit’.
Of ‘de Laagvlakte van Achor’.
Of ‘mijn Baäl’.
Of ‘leven’.
Bet.: ‘God zal zaaien’.
Zie Ho 1:6, vtn.
Zie Ho 1:9, vtn.