Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Het Hooglied 2:1-17

INHOUD

  • Meisje (1)

    • ‘Een saffraan ben ik slechts’

  • Herder (2)

    • ‘Mijn liefste is als een lelie’

  • Meisje (3-14)

    • ‘Roep geen liefde wakker voordat ze dat wil’ (7)

    • Herder geciteerd (10b-14)

      • ‘Kom met me mee, mijn schoonheid’ (10b, 13)

  • Broers van het meisje (15)

    • ‘Vang de vossen voor ons’

  • Meisje (16, 17)

    • ‘Mijn lief is van mij en ik ben van hem’ (16)

2  Een saffraan* in de kustvlakte ben ik slechts, een lelie in de vallei.’+   ‘Als een lelie tussen de doorns, zo is mijn liefste onder de meisjes.’   ‘Als een appelboom tussen de bomen in het woud, zo is mijn lief onder de jonge mannen. Ik smacht ernaar in zijn schaduw te zitten, zijn vruchten zijn zoet in mijn mond.   Hij nam me mee naar het wijnhuis, en zijn liefde was boven mij als een vaandel.   Sterk me met rozijnenkoeken,+ verfris me met appels, want ik ben ziek van liefde.   Zijn linkerarm is onder mijn hoofd, zijn rechterarm omhelst mij.+   Dochters van Jeruzalem, zweer mij bij de gazellen+ en de hinden van het veld: wek geen liefde in me op, roep haar niet wakker voordat ze dat wil.+   Het geluid van mijn lief! Kijk, daar komt hij, hij klimt over de bergen, springt over de heuvels.   Mijn lief is als een gazelle, als een jong hert.+ Daar staat hij achter onze muur, hij kijkt door de vensters, tuurt door het traliewerk. 10  Mijn lief spreekt en zegt tegen mij: “Sta op, mijn liefste, mijn schoonheid, en kom met me mee. 11  Want de winter* is voorbij, de regens zijn verdwenen. 12  De bloesems zijn al in het land verschenen,+ de tijd om te snoeien is aangebroken,+ het lied van de tortelduif klinkt al in het land.+ 13  De vroege vijgen rijpen aan de vijgenboom,+ de bloesems van de wijnstok verspreiden hun geur. Sta op, mijn liefste, en kom. Kom met me mee, mijn schoonheid. 14  Mijn duifje, verscholen tussen de rotsen,+ in de spleten van de bergwand, laat je toch zien, laat je toch horen,+ want je stem is zo mooi, je verschijning zo lieflijk.”’+ 15  ‘Vang de vossen voor ons, de kleine vossen die de wijngaarden vernielen, want onze wijngaarden staan in bloei.’ 16  ‘Mijn lief is van mij en ik ben van hem.+ Hij hoedt de kudde+ tussen de lelies.+ 17  Voordat een bries de dag verkoelt* en de schaduwen wegvluchten, kom snel terug, mijn lief, als een gazelle+ of een jong hert+ op de bergen van scheiding.*

Voetnoten

Of ‘krokus’.
Of ‘regentijd’.
Lett.: ‘de dag ademt’.
Of mogelijk ‘de gekloofde bergen’. Of ‘de bergen van Bether’.