Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Handelingen van apostelen 5:1-42

INHOUD

  • Ananias en Saffira (1-11)

  • Apostelen doen veel wonderen (12-16)

  • Gevangen en weer vrijgelaten (17-21a)

  • Opnieuw vóór Sanhedrin (21b-32)

    • ‘God meer gehoorzamen dan mensen’ (29)

  • Advies Gamaliël (33-40)

  • Prediken van huis tot huis (41, 42)

5  Een man die Anani̱as heette, verkocht samen met zijn vrouw Saffi̱ra een stuk grond.  Maar met medeweten van zijn vrouw hield hij in het geheim iets van de opbrengst achter. Hij nam alleen een gedeelte mee en legde dat aan de voeten van de apostelen.+  Petrus zei: ‘Anani̱as, hoe heeft Satan je kunnen overhalen om tegen de heilige geest+ te liegen+ en in het geheim iets van de opbrengst van het veld achter te houden?  Het was toch van jou zolang het in je bezit was? En nadat het was verkocht, kon je toch met de opbrengst doen wat je wilde? Hoe kom je erbij om zoiets slechts te bedenken?* Je hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.’  Bij het horen van die woorden viel Anani̱as neer en stierf. En iedereen die ervan hoorde, werd heel bang.  Toen stonden de jongere mannen op, wikkelden hem in doeken, droegen hem naar buiten en begroeven hem.  Ongeveer drie uur later kwam zijn vrouw binnen, zonder te weten wat er was gebeurd.  Petrus vroeg haar: ‘Vertel me, hebben jullie het veld voor dit bedrag verkocht?’ Ze antwoordde: ‘Ja, voor dit bedrag.’  Toen zei Petrus tegen haar: ‘Waarom hebben jullie samen afgesproken om de geest van Jehovah* op de proef te stellen? Luister, voor de deur klinken de voetstappen van degenen die je man hebben begraven, en ze zullen ook jou naar buiten dragen.’ 10  Onmiddellijk viel ze dood aan zijn voeten neer. Toen de jonge mannen binnenkwamen, troffen ze haar dood aan. Ze droegen haar naar buiten en begroeven haar naast haar man. 11  De hele gemeente werd daardoor met diep ontzag vervuld, net als iedereen die erover hoorde. 12  De apostelen bleven veel tekenen en wonderen onder het volk doen.+ Ze kwamen altijd samen in Salomo’s zuilengang.+ 13  Van de anderen had niemand de moed om zich bij hen aan te sluiten. Toch sprak het volk vol lof over hen. 14  Bovendien kwamen er steeds meer gelovigen in de Heer bij, grote aantallen mannen en vrouwen.+ 15  Ze brachten de zieken zelfs naar de brede straten* en legden hen daar op draagbedden en matten. Als Petrus dan voorbijkwam, zou in ieder geval zijn schaduw op enkelen van hen vallen.+ 16  Ook uit de steden rondom Jeruzalem bleven grote groepen mensen komen. Ze brachten zieken en mensen die door onreine geesten gekweld werden, en die werden allemaal genezen. 17  Maar de hogepriester en zijn aanhang, die bij de partij* van de sadduceeën hoorde, stonden op en vol jaloezie 18  grepen* ze de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis.+ 19  Maar ’s nachts opende Jehovah’s* engel de deuren van de gevangenis,+ bracht hen naar buiten en zei: 20  ‘Ga in de tempel staan en blijf het volk de hele boodschap over dit leven bekendmaken.’ 21  Nadat ze dat hadden gehoord, gingen ze tegen de ochtend de tempel in en begonnen er te onderwijzen. Toen de hogepriester met zijn aanhang was gearriveerd, riepen ze het Sanhedrin en de hele raad van oudsten van het volk Israël* bij elkaar, en ze stuurden beambten naar de gevangenis om de apostelen te halen en voor te leiden. 22  Maar toen de beambten bij de gevangenis aankwamen, troffen ze hen daar niet aan. Ze gingen dus terug en brachten verslag uit. 23  ‘De gevangenis was goed afgesloten en de bewakers stonden bij de deuren,’ vertelden ze, ‘maar toen we die opendeden, troffen we binnen niemand aan.’ 24  Toen de overpriesters en het hoofd van de tempelwachters dat hoorden, vroegen ze zich verontrust af hoe dit zou aflopen. 25  Maar iemand kwam hun vertellen: ‘De mannen die jullie in de gevangenis hebben gezet, staan in de tempel het volk te onderwijzen!’ 26  Daarop ging het hoofd van de tempelwachters hen samen met zijn mannen halen, maar zonder geweld, want ze waren bang dat ze door het volk gestenigd zouden worden.+ 27  Ze haalden hen en leidden hen voor het Sanhedrin. De hogepriester ondervroeg hen 28  en zei: ‘Wij hebben jullie streng verboden om door te gaan met onderwijzen op basis van deze naam,+ en toch hebben jullie Jeruzalem overspoeld met jullie leer. En jullie zijn vastbesloten om het bloed van deze man over ons te laten komen!’+ 29  Petrus en de andere apostelen antwoordden: ‘Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.+ 30  De God van onze voorvaders heeft Jezus, die jullie hebben gedood door hem aan een paal* te hangen, uit de dood opgewekt.+ 31  God heeft hem als de Voornaamste Leider+ en Redder+ tot zijn rechterhand verhoogd,+ zodat Israël berouw kan hebben en vergeving van zonden kan krijgen.+ 32  En wij zijn daarvan getuige,+ net als de heilige geest,+ die God heeft gegeven aan degenen die hem als regeerder gehoorzamen.’ 33  Toen ze dat hoorden, werden ze woedend* en wilden ze hen ter dood brengen. 34  Maar een farizeeër die Gama̱liël+ heette stond op in het Sanhedrin. Hij was een wetsleraar die bij het hele volk in aanzien stond, en hij gaf opdracht de mannen een ogenblik naar buiten te brengen. 35  Daarna zei hij: ‘Mannen van Israël, denk goed na over wat jullie met deze mensen willen doen. 36  Een tijdje geleden was er bijvoorbeeld The̱u̱das, die beweerde dat hij iets was, en zo’n 400 mannen sloten zich bij hem aan. Maar hij werd ter dood gebracht, de groep van zijn aanhangers viel uiteen en hun plannen liepen op niets uit. 37  Na hem kwam Judas de Galileeër, die in de tijd van de inschrijving heel wat volgelingen kreeg. Ook die man is omgekomen, en zijn volgelingen zijn uiteengedreven. 38  Onder deze omstandigheden zeg ik jullie: bemoei je niet met deze mensen en laat ze met rust. Want als dit plan of dit werk van mensen komt, zal het op niets uitlopen. 39  Maar als het van God komt, zullen jullie niets tegen ze kunnen beginnen.+ Anders zou weleens kunnen blijken dat jullie tegen God zelf strijden.’+ 40  Ze volgden zijn advies op en riepen de apostelen bij zich. Ze geselden* hen,+ verboden hun om nog op basis van Jezus’ naam te spreken en lieten hen gaan. 41  De apostelen verlieten het Sanhedrin, blij+ dat ze waardig bevonden waren om ter wille van zijn naam vernederd te worden. 42  Ze bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis+ onderwijzen en het goede nieuws over de Christus, Jezus, bekendmaken.+

Voetnoten

Lett.: ‘je zo’n daad in je hart voor te nemen’.
Of ‘de pleinen’.
Of ‘sekte’.
Of ‘arresteerden’.
Lett.: ‘zonen van Israël’.
Of ‘boom’.
Of ‘waren ze gegriefd’.
Of ‘sloegen’.