Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Genesis 33:1-20

INHOUD

  • Weerzien Jakob en Esau (1-16)

  • Jakob reist naar Sichem (17-20)

33  Toen Jakob opkeek, zag hij Esau aankomen met 400 man.+ Daarom verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en de twee slavinnen.+  Hij liet de slavinnen en hun kinderen vooropgaan,+ daarachter Lea en haar kinderen,+ en helemaal achteraan Rachel+ en Jozef.  Zelf ging hij voor hen uit, en terwijl hij dichter bij zijn broer kwam, boog hij zeven keer heel diep voor hem.  Maar Esau rende hem tegemoet, omhelsde hem en kuste hem, en ze barstten in tranen uit.  Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: ‘Wie heb je daar bij je?’ Jakob antwoordde: ‘De kinderen die God je dienaar geschonken heeft.’+  Toen kwamen de slavinnen met hun kinderen naar voren en bogen diep,  en ook Lea kwam naar voren met haar kinderen en ze bogen diep. Daarna kwam Jozef naar voren met Rachel, en ook zij bogen diep.+  ‘Wat was de bedoeling van die hele karavaan die ik tegenkwam?’,+ vroeg Esau. Jakob antwoordde: ‘Die was bedoeld om mijn heer gunstig te stemmen.’+  ‘Broer, ik heb heel veel bezittingen’,+ zei Esau. ‘Houd maar wat je hebt.’ 10  ‘Nee,’ zei Jakob, ‘als ik je goedkeuring heb, neem dit geschenk dan alsjeblieft van me aan, want ik heb het meegebracht omdat ik jou wilde zien. Toen ik jou zag en je mij met open armen ontving,+ was het alsof ik oog in oog stond met God. 11  Aanvaard alsjeblieft het geschenk* dat ik je heb laten brengen,+ want God is goed voor mij geweest en ik heb alles wat ik nodig heb.’+ En hij bleef zo aandringen dat Esau het aannam. 12  Later zei Esau: ‘Laten we vertrekken, en laat mij voor je uit gaan.’ 13  Maar Jakob antwoordde: ‘Mijn heer weet dat de kinderen niet zo sterk zijn+ en dat ik de zorg heb voor schapen en runderen die hun jongen zogen. Als ze ook maar één dag worden opgejaagd, gaat de hele kudde dood. 14  Mijn heer, ga alsjeblieft voor mij uit, maar ik zal op mijn gemak verder reizen in het tempo van het vee en van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Se̱ïr aankom.’+ 15  Toen zei Esau: ‘Laat me dan in elk geval een paar van mijn mannen bij je achterlaten.’ Daarop antwoordde hij: ‘Dat is niet nodig. Zolang ik maar de goedkeuring van mijn heer heb.’ 16  Nog diezelfde dag begon Esau aan de terugreis naar Se̱ïr. 17  Jakob reisde naar Su̱kkoth,+ waar hij een huis voor zichzelf bouwde en schuilplaatsen maakte voor zijn kudde. Daarom noemde hij die plaats Su̱kkoth.* 18  Na zijn reis vanuit Pa̱ddan-A̱ram+ kwam Jakob veilig aan bij de stad Sichem+ in het land Kanaän,+ en hij sloeg zijn kamp in de buurt van die stad op. 19  Toen kocht hij voor 100 geldstukken van de zonen van He̱mor, de vader van Sichem,+ een deel van het veld waar hij zijn tent had opgezet. 20  Daar bouwde hij een altaar en noemde het God, de God van Israël.+

Voetnoten

Lett.: ‘de zegen’.
Bet.: ‘hutten’, ‘schuilplaatsen’.