Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Genesis 15:1-21

INHOUD

  • Gods verbond met Abram (1-21)

    • De 400 jaar slavernij voorspeld (13)

    • God herhaalt belofte aan Abram (18-21)

15  Hierna kwam het woord van Jehovah in een visioen tot Abram: ‘Wees niet bang,+ Abram. Ik ben een schild voor je.+ Je beloning zal heel groot zijn.’+  Abram antwoordde: ‘Soevereine Heer Jehovah, wat zult u mij geven? Ik heb namelijk nog steeds geen kinderen en mijn erfenis zal gaan naar* een man uit Damaskus, Elië̱zer.’+  Abram zei verder: ‘U hebt mij geen nageslacht*+ gegeven, en een van mijn dienaren* volgt me op als erfgenaam.’  Vervolgens kwam het woord van Jehovah tot hem: ‘Deze man zal niet je erfgenaam zijn, maar je eigen zoon* zal je als erfgenaam opvolgen.’+  Toen leidde hij hem naar buiten en zei: ‘Kijk alsjeblieft omhoog naar de hemel en tel de sterren, als je dat kunt.’ Vervolgens zei hij: ‘Zo zal je nageslacht* worden.’+  En Abram geloofde in Jehovah+ en Hij rekende het hem als rechtvaardigheid toe.+  Toen voegde Hij eraan toe: ‘Ik ben Jehovah, die jou uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid om je dit land in bezit te geven.’+  ‘Soevereine Heer Jehovah,’ vroeg Abram, ‘hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal nemen?’  Hij antwoordde: ‘Haal een driejarige koe,* een driejarige geit,* een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.’ 10  Abram haalde dus al die dieren, sneed ze in tweeën en legde de helften tegenover elkaar,* maar de vogels sneed hij niet door. 11  Er kwamen roofvogels op de kadavers af, maar Abram joeg ze steeds weg. 12  Toen de zon bijna onderging, viel Abram in een diepe slaap, en een grote, angstaanjagende duisternis overviel hem. 13  Vervolgens zei Hij tegen Abram: ‘Je moet weten dat je nakomelingen* vreemdelingen zullen worden in een land dat niet van hen is, en dat ze daar slaven zullen worden en 400 jaar lang slecht behandeld zullen worden.+ 14  Maar het volk dat ze zullen dienen, zal ik oordelen,+ en daarna zullen ze met veel bezittingen wegtrekken.+ 15  Wat jou betreft, je zult na een lang en goed leven in vrede naar je voorvaders gaan* en begraven worden.+ 16  Maar de vierde generatie zal hier terugkomen,+ want dan pas zullen de Amorieten zo veel overtredingen hebben begaan dat de maat vol is.’+ 17  Toen de zon was ondergegaan en het heel donker was geworden, verscheen er een rokende oven, en er ging een brandende fakkel tussen de dierhelften door. 18  Op die dag sloot Jehovah een verbond met Abram+ en zei: ‘Aan jouw nageslacht* zal ik dit land geven,+ van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de Eufraat:+ 19  het land van de Kenieten,+ de Kenizzieten, de Kadmonieten, 20  de Hethieten,+ de Ferezieten,+ de Refaïeten,+ 21  de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.’+

Voetnoten

Of ‘degene die mijn huis zal bezitten is’.
Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘een zoon van mijn huis’.
Lett.: ‘een die uit je inwendige delen komt’.
Lett.: ‘zaad’.
Of ‘vaars’.
D.w.z. een vrouwelijk dier.
Of ‘legde elk deel ervan zo dat het bij het andere paste’.
Lett.: ‘zaad’.
Of ‘sterven’.
Lett.: ‘zaad’.