Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Exodus 22:1-31

INHOUD

  • Rechterlijke beslissingen voor Israël (1-31)

    • over diefstal (1-4)

    • over schade aan gewassen (5, 6)

    • over vergoedingen en eigendom (7-15)

    • over verleiding (16, 17)

    • over aanbidding en sociale gerechtigheid (18-31)

22  Als iemand een stier of een schaap steelt en hij het dier slacht of verkoopt, moet hij het vergoeden: vijf stieren voor een stier en vier schapen voor een schaap.+  (Als iemand een dief+ bij het inbreken betrapt en hem doodslaat, laadt hij daarmee geen bloedschuld op zich.  Maar als het na zonsopgang gebeurt, is er wel sprake van bloedschuld.) De dief moet een vergoeding geven. Bezit hij niets, dan moet hij verkocht worden als vergoeding voor wat hij gestolen heeft.  Als wat hij gestolen heeft nog levend bij hem wordt aangetroffen, of het nu een stier, een ezel of een schaap is, moet hij het dubbel vergoeden.  Als iemand zijn vee loslaat om het in een veld of een wijngaard te laten grazen en hij de dieren in het veld van een ander laat grazen, dan moet hij het beste van zijn eigen veld of wijngaard als vergoeding geven.  Als er brand ontstaat en het vuur overslaat op doornstruiken met als gevolg dat gebundeld graan, graan op een akker of een heel veld in vlammen opgaat, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken, vergoeden wat verbrand is.  Als iemand geld of voorwerpen in bewaring geeft aan zijn medemens, en het wordt uit het huis van die man gestolen, dan moet de dief, als hij gevonden wordt, het dubbel vergoeden.+  Wordt de dief niet gevonden, dan moet de eigenaar van het huis voor de ware God gebracht worden+ om vast te stellen of hij zich de bezittingen van zijn medemens heeft toegeëigend.*  Bij elk geval van onrechtmatig bezit, of het nu gaat om een stier, een ezel, een schaap, een kledingstuk of iets anders wat verloren is en waarvan een ander zegt: “Dat is van mij!”, moeten beide partijen hun zaak aan de ware God voorleggen.+ Degene die door God schuldig wordt verklaard, moet zijn medemens een dubbele vergoeding geven.+ 10  Als iemand een ander vraagt om op zijn vee te letten, bijvoorbeeld op een ezel, een stier of een schaap, en het dier sterft, raakt verminkt of wordt meegenomen zonder dat iemand het ziet, 11  dan moet de ander hem vóór Jehovah zweren dat hij zich de bezittingen van zijn medemens niet heeft toegeëigend;* en de eigenaar moet daar genoegen mee nemen. De ander hoeft geen vergoeding te geven.+ 12  Maar als het dier van hem gestolen is, moet hij het de eigenaar vergoeden. 13  Als het door een wild dier is verscheurd, moet hij het dode dier meenemen als bewijs. Hij hoeft geen vergoeding te geven voor iets wat door een wild dier verscheurd is. 14  Als iemand vraagt of hij een dier van zijn medemens mag lenen en het dier raakt verminkt of sterft terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet degene die het geleend heeft het vergoeden. 15  Als de eigenaar er wel bij is, hoeft hij geen vergoeding te geven. Als het dier gehuurd was, geldt de huurprijs als de vergoeding. 16  Als een man een maagd verleidt die niet verloofd is en gemeenschap met haar heeft, moet hij de bruidsprijs voor haar betalen zodat ze zijn vrouw wordt.+ 17  Als haar vader resoluut weigert haar aan hem te geven, moet de man hem toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs. 18  Een tovenares mag niet in leven gelaten worden.+ 19  Wie gemeenschap heeft met een dier, moet beslist ter dood worden gebracht.+ 20  Wie slachtoffers brengt aan andere goden dan aan Jehovah, moet ter dood worden gebracht.*+ 21  Een vreemdeling die bij jullie woont, mag je niet slecht behandelen of onderdrukken,+ want jullie hebben zelf als vreemdelingen in Egypte gewoond.+ 22  Een weduwe of een vaderloos kind* mag je niet slecht behandelen.+ 23  Als je ze toch slecht behandelt en ze tot mij roepen om hulp, dan zal ik dat zeker horen.+ 24  Mijn woede zal losbarsten en ik zal jullie doden met het zwaard, zodat jullie vrouwen weduwe worden en jullie kinderen geen vader meer hebben. 25  Als je geld leent aan iemand van mijn volk die arm* is, iemand die in je omgeving woont, gedraag je dan niet als een geldschieter* en vraag geen rente van hem.+ 26  Als je het bovenkleed van je medemens als onderpand neemt,+ moet je het hem vóór zonsondergang teruggeven. 27  Want het is zijn enige bedekking, de kleding waarmee hij zijn lichaam* toedekt. Waarin moet hij anders slapen?+ Als hij tot mij roept, zal ik hem zeker horen, want ik ben vol medeleven.*+ 28  Je mag God niet vervloeken*+ en ook een leider van je volk mag je niet vervloeken.+ 29  Aarzel niet om offers te brengen van je rijke opbrengst en van de overvloed van je persen.*+ Je eerstgeboren zoon moet je aan mij geven.+ 30  En doe met het eerstgeboren jong van je stier en je schaap het volgende:+ laat het zeven dagen bij zijn moeder en geef het op de achtste dag aan mij.+ 31  Jullie moeten laten zien dat jullie een heilig volk voor mij zijn,+ en het vlees van een dier dat op het veld door een wild dier verscheurd is, mogen jullie niet eten.+ Jullie moeten het aan de honden voeren.

Voetnoten

Lett.: ‘zijn hand heeft uitgestoken naar’.
Lett.: ‘zijn hand niet heeft uitgestoken naar’.
Of ‘voor de vernietiging worden bestemd’.
Of ‘wees’.
Of ‘ellendig’.
Of ‘woekeraar’.
Lett.: ‘huid’.
Of ‘goedgunstig’.
Of ‘niet schimpend praten over God’.
D.w.z. olie- en wijnpersen.