Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Exodus 21:1-36

INHOUD

  • Rechterlijke beslissingen voor Israël (1-36)

    • over Hebreeuwse slaven (2-11)

    • over geweld tegenover medemens (12-27)

    • over dieren (28-36)

21  Dit zijn de rechterlijke beslissingen die je aan hen moet overbrengen:+  Als je een Hebreeuwse slaaf koopt,+ zal hij je zes jaar als slaaf dienen, maar in het zevende jaar zal hij vrijgelaten worden zonder dat hij iets hoeft te betalen.+  Als hij alleen is gekomen, zal hij ook alleen weggaan. Was hij al getrouwd, dan zal zijn vrouw samen met hem weggaan.  Als zijn meester hem een vrouw heeft gegeven en zij hem zonen of dochters heeft geschonken, zullen de vrouw en haar kinderen van haar meester worden, en hij zal alleen weggaan.+  Maar als de slaaf aandringt: “Ik houd van mijn meester en van mijn vrouw en zonen. Ik wil niet vrijgelaten worden”,+  dan moet zijn meester hem voor de ware God brengen. Vervolgens zal de meester de slaaf tegen de deur of de deurpost zetten en zijn oor met een priem doorboren. Dan blijft hij zolang hij leeft zijn slaaf.  Als een man zijn dochter als slavin verkoopt, zal ze niet vrijkomen zoals een mannelijke slaaf.  Als haar meester haar niet als bijvrouw wil omdat ze hem niet bevalt, en hij haar door iemand anders laat kopen,* dan heeft hij niet het recht om haar aan buitenlanders te verkopen, want hij heeft haar bedrogen.  Als hij haar voor zijn zoon uitkiest, moet hij haar de rechten van een dochter geven. 10  Als hij er een andere vrouw bij neemt, mag hij de eerste vrouw niet tekortdoen wat betreft voedsel, kleding en de huwelijksplicht.+ 11  Als hij haar die drie dingen niet geeft, dan mag ze weggaan zonder geld te betalen. 12  Wie een ander zo hard slaat dat hij sterft, moet zelf ter dood worden gebracht.+ 13  Maar als hij het niet met opzet doet en de ware God toelaat dat het gebeurt, dan kan hij vluchten naar een plaats die ik je zal aanwijzen.+ 14  Als iemand woedend wordt op zijn medemens en hem met voorbedachten rade doodt,+ dan moet hij sterven, ook al moet je hem bij mijn altaar vandaan halen.+ 15  Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet ter dood worden gebracht.+ 16  Als iemand een ander ontvoert,+ moet hij ter dood worden gebracht,+ of hij hem nu verkocht heeft of hem nog gevangen blijkt te houden.+ 17  Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt,* moet ter dood worden gebracht.+ 18  Als mannen ruzie maken en de één de ander met een steen of met zijn vuist* slaat en hij niet sterft maar wel het bed moet houden, moet het volgende gebeuren: 19  Als hij weer kan opstaan en met behulp van een stok buiten rond kan lopen, dan mag degene die hem geslagen heeft, niet gestraft worden. Wel moet hij de gewonde man zolang die nog niet helemaal genezen is, een vergoeding geven voor de tijd dat hij niet kan werken. 20  Als iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en die door zijn hand sterft, moet die gewroken worden.+ 21  Maar als hij nog één of twee dagen in leven blijft, mag hij niet gewroken worden, want hij is met het geld van zijn eigenaar gekocht. 22  Als mannen met elkaar vechten en een zwangere vrouw verwonden met als gevolg dat haar kind te vroeg geboren wordt,*+ maar niemand overlijdt,* dan moet de dader de schadevergoeding betalen die de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die door tussenkomst van de rechters betalen.+ 23  Maar als er wel iemand komt te overlijden, dan geldt: een leven voor een leven,*+ 24  een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet,+ 25  een brandwond voor een brandwond, een wond voor een wond, een buil voor een buil. 26  Als iemand zijn slaaf of slavin op het oog slaat en het oog verloren gaat, moet hij de slaaf als vergoeding voor zijn oog vrijlaten.+ 27  En als hij zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij de slaaf als vergoeding voor zijn tand vrijlaten. 28  Als een stier een man of een vrouw stoot en hij of zij sterft, moet de stier gestenigd worden+ en mag zijn vlees niet gegeten worden. De eigenaar van de stier gaat vrijuit. 29  Maar als een stier al stotig was en de eigenaar gewaarschuwd was maar de stier niet heeft bewaakt, en de stier een man of een vrouw doodt, moet de stier gestenigd worden en moet ook de eigenaar ter dood worden gebracht. 30  Als hem een losprijs* wordt opgelegd, dan moet hij alles betalen wat hem zou worden opgelegd om zijn leven* los te kopen. 31  Ook als de stier een zoon of een dochter stoot, moet er in overeenstemming met deze bepaling* tegen de eigenaar van de stier worden opgetreden. 32  Als de stier een slaaf of slavin stoot, moet de eigenaar van de stier de prijs van 30 sikkels* aan zijn of haar meester betalen, en de stier moet gestenigd worden. 33  Als iemand het deksel van een put haalt of een put graaft en die niet afdekt, en er een stier of een ezel in valt, 34  dan moet de eigenaar van de put de schade vergoeden:+ hij moet dat bedrag aan de eigenaar van het dier betalen, en het dode dier zal van hem worden. 35  Als iemands stier de stier van een ander verwondt en die stier sterft, dan moeten ze de levende stier verkopen en de opbrengst delen; ook het dode dier moeten ze verdelen. 36  Maar als al bekend was dat een stier stotig was en de eigenaar de stier toch niet had bewaakt, dan moet de eigenaar het dier vergoeden, een stier voor een stier. Het dode dier zal van hem worden.

Voetnoten

Lett.: ‘loskopen’.
Of ‘kwaad afsmeekt over’.
Of mogelijk ‘een stuk gereedschap’.
Lett.: ‘en haar kinderen eruit komen’.
Of ‘er geen ernstig letsel wordt toegebracht’.
Of ‘een ziel voor een ziel’.
Of ‘schadevergoeding’.
Of ‘ziel’.
Of ‘rechterlijke beslissing’.
Een sikkel woog 11,4 g. Zie App. B14.