Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Exodus 19:1-25

INHOUD

  • Bij de berg Sinaï (1-25)

    • Israël wordt koninkrijk van priesters (5, 6)

    • Volk geheiligd om naar God te gaan (14, 15)

19  In de derde maand nadat de Israëlieten uit Egypte waren weggegaan, op dezelfde dag, bereikten ze de Sinaïwoestijn.  Ze waren vertrokken uit Ra̱fidim,+ kwamen aan in de Sinaïwoestijn en sloegen hun kamp op. Israël sloeg zijn kamp daar op tegenover de berg.+  Daarna ging Mozes de berg op, naar de ware God. Jehovah riep naar hem vanaf de berg:+ ‘Zeg tegen het huis van Jakob, laat de Israëlieten weten:  “Jullie hebben zelf gezien wat ik met de Egyptenaren heb gedaan+, en hoe ik jullie op arendsvleugels heb gedragen en bij me heb gebracht.+  Als jullie precies doen wat ik zeg en jullie je aan mijn verbond houden, dan zullen jullie van alle volken beslist mijn speciale bezit* worden,+ want de hele aarde is van mij.+  Jullie zullen voor mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie worden.”+ Breng die woorden aan de Israëlieten over.’  Mozes ging dus terug, riep de oudsten van het volk bij elkaar en vertelde hun alles wat Jehovah hem geboden had.+  Daarna antwoordde het hele volk unaniem: ‘We zijn bereid alles te doen wat Jehovah heeft gezegd.’+ Meteen ging Mozes het antwoord van het volk aan Jehovah overbrengen.  Jehovah zei tegen Mozes: ‘Luister, ik kom naar je toe in een donkere wolk, zodat het volk het kan horen als ik met je praat en zodat ze ook voor altijd vertrouwen in jou zullen hebben.’ Toen vertelde Mozes Jehovah wat het volk had gezegd. 10  Vervolgens zei Jehovah tegen Mozes: ‘Ga naar het volk en heilig hen vandaag en morgen, en ze moeten hun kleren wassen. 11  En ze moeten klaar zijn voor de derde dag, want op de derde dag zal Jehovah voor de ogen van het hele volk op de berg Sinaï neerdalen. 12  Je moet rondom grenzen aangeven voor het volk en tegen ze zeggen: “Zorg ervoor dat je niet de berg op gaat of de grens aanraakt. Wie de berg aanraakt, moet gedood worden. 13  Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden, maar hij moet gestenigd of met pijlen neergeschoten worden. Of het nu gaat om een mens of een dier, hij mag niet in leven blijven.”+ Pas als het geluid van de ramshoorn klinkt,+ mogen ze naar de berg toe komen.’ 14  Toen daalde Mozes de berg af naar het volk. Hij begon het volk te heiligen en ze wasten hun kleren.+ 15  Hij zei tegen het volk: ‘Maak je klaar voor de derde dag. Niemand mag seksuele gemeenschap hebben.’* 16  Op de ochtend van de derde dag donderde en bliksemde het. Er was een zware wolk+ op de berg en er klonk een zeer luid hoorngeschal. Het hele volk in het kamp begon te beven.+ 17  Mozes leidde het volk het kamp uit, de ware God tegemoet, en ze gingen aan de voet van de berg staan. 18  De berg Sinaï was helemaal in rook gehuld, want Jehovah daalde er in vuur op neer.+ De rook ervan steeg op als de rook van een kalkoven, en de hele berg schudde hevig.+ 19  Terwijl het hoorngeschal steeds sterker werd, begon Mozes te spreken, en de stem van de ware God antwoordde hem. 20  Jehovah daalde dus neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. Toen riep Jehovah Mozes naar de top van de berg, en Mozes ging naar boven.+ 21  Jehovah zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet proberen dichterbij te komen om naar Jehovah te kijken, want dan zullen velen van hen sterven. 22  En de priesters die geregeld tot Jehovah naderen, moeten zich heiligen, anders zal Jehovah hen doden.’*+ 23  Mozes zei toen tegen Jehovah: ‘Het volk kan niet dichter bij de berg Sinaï komen, want u hebt ons al gewaarschuwd toen u zei: “Geef grenzen aan rondom de berg en heilig hem.”’+ 24  Maar Jehovah zei tegen hem: ‘Ga, daal af, en kom daarna weer naar boven, samen met Aäron. Maar zorg ervoor dat de priesters en het volk niet naar Jehovah toe komen, anders zal hij hen doden.’+ 25  Mozes daalde af naar het volk en vertelde het hun.

Voetnoten

Of ‘kostbare eigendom’.
Lett.: ‘Nader niet tot een vrouw.’
Lett.: ‘losbarsten tegen’.