Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Deuteronomium 10:1-22

INHOUD

  • Twee nieuwe platen (1-11)

  • Wat Jehovah vraagt (12-22)

    • Ontzag en liefde voor Jehovah (12)

10  Toen zei Jehovah tegen mij: “Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de eerste,+ en kom naar mij toe op de berg. Maak ook een ark* van hout.  Ik zal op de platen de woorden schrijven die ook op de eerste platen stonden, die je stukgegooid hebt, en je moet de platen in de ark leggen.”  Ik maakte dus een ark van acaciahout en hakte twee stenen platen uit, gelijk aan de eerste. Vervolgens ging ik de berg op met de twee platen in mijn handen.+  Toen schreef Jehovah op de platen dezelfde woorden als de eerste keer,+ de tien geboden,*+ die hij op de berg vanuit het vuur tot jullie had gesproken+ op de dag dat jullie daar waren bijeengekomen.*+ Daarna gaf Jehovah ze aan mij.  Vervolgens ging ik de berg weer af+ en legde de platen in de ark die ik had gemaakt, zoals Jehovah mij had opgedragen. En daar zijn ze nog steeds.  De Israëlieten vertrokken van Beë̱roth Be̱né-Ja̱äkan naar Mose̱ra. Daar stierf Aäron en daar werd hij begraven.+ Zijn zoon Elea̱zar volgde hem op als priester.+  Vandaar vertrokken ze naar Gu̱dgod, en van Gu̱dgod gingen ze naar Jotba̱tha,+ een gebied met veel waterstromen.*  In die tijd zonderde Jehovah de stam Levi af+ om de ark van Jehovah’s verbond te dragen,+ om vóór Jehovah dienst te doen en om in zijn naam te zegenen,+ zoals ze tot op de dag van vandaag doen.  Daarom heeft Levi geen erfdeel of bezit* gekregen zoals zijn broeders. Jehovah is zijn erfdeel, zoals Jehovah, jullie God, tegen hem had gezegd.+ 10  Ikzelf bleef net als de eerste keer 40 dagen en 40 nachten op de berg,+ en ook dit keer luisterde Jehovah naar mij.+ Jehovah besloot jullie niet te vernietigen. 11  Toen zei Jehovah tegen mij: “Maak je klaar om te vertrekken en ga voor het volk uit, zodat ze het land kunnen binnengaan dat ik hun voorvaders met een eed heb beloofd+ en ze het in bezit kunnen nemen.” 12  Nu dan, Israël, wat vraagt Jehovah, je God, van jullie?+ Alleen dit: heb ontzag voor Jehovah, je God,+ volg* altijd de weg die hij je wijst,+ heb hem lief, dien Jehovah, je God, met je hele hart en je hele ziel*+ 13  en houd je aan de geboden en voorschriften van Jehovah die ik jullie vandaag voor je eigen bestwil geef.+ 14  Luister! Van Jehovah, je God, is de hemel, zelfs de hemel der hemelen,* en de aarde met alles wat daarop is.+ 15  Maar alleen aan jullie voorvaders heeft Jehovah zich gehecht en alleen tegenover hen heeft hij zijn liefde geuit. Hij heeft jullie, hun nageslacht,+ uit alle volken uitgekozen, en zo is het nog steeds. 16  Reinig nu* je hart+ en wees niet langer koppig.*+ 17  Want Jehovah, jullie God, is de God der goden+ en de Heer der heren, de grote, machtige en ontzagwekkende God, die niemand partijdig behandelt+ en die zich niet laat omkopen. 18  Hij doet recht aan vaderloze kinderen* en weduwen.+ Hij heeft vreemdelingen lief+ en geeft ze voedsel en kleding. 19  Ook jullie moeten vreemdelingen liefhebben, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.+ 20  Voor Jehovah, je God, moet je ontzag hebben. Hem moet je dienen,+ aan hem moet je je vasthouden en bij zijn naam moet je zweren. 21  Hij is degene die je moet loven.+ Hij is je God, en hij heeft al deze grote en ontzagwekkende dingen voor je gedaan die je met eigen ogen hebt gezien.+ 22  Met 70 personen* zijn je voorouders naar Egypte gegaan,+ en nu heeft Jehovah, je God, jullie zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel.+

Voetnoten

Of ‘kist’.
Lett.: ‘tien woorden’. Ook de decaloog genoemd.
Of ‘dag van de gemeente’.
Of ‘wadi’s vol water’.
Lett.: ‘deel’.
Lett.: ‘bewandel’.
Of ‘de hoogste hemel’.
Lett.: ‘besnijd de voorhuid van’.
Lett.: ‘en verhard je nek niet langer’.
Of ‘wezen’.
Of ‘zielen’.