Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Ezechiël 46:1-24

INHOUD

  • Offers bij speciale gelegenheden (1-15)

  • Erfdeel uit bezit leider (16-18)

  • Ruimten om offers te koken (19-24)

46  ‘Dit zegt de Soevereine Heer Jehovah: “De oostpoort van het binnenste voorhof+ moet op de zes werkdagen+ gesloten blijven,+ maar op de sabbatdag en op de dag van de nieuwemaan moet hij worden geopend.  De leider zal van buiten via de voorhal van de poort binnenkomen+ en bij de deurpost van de poort gaan staan. De priesters zullen zijn volledige brandoffer en zijn vredeoffers brengen, en hij zal zich neerbuigen bij de drempel van de poort en dan naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet worden gesloten.  Ook het volk van het land moet zich op de sabbat en de nieuwemaan bij de ingang van die poort voor Jehovah neerbuigen.+  Het volledige brandoffer dat de leider op de sabbat aan Jehovah aanbiedt, moet bestaan uit zes mannetjeslammeren en een ram zonder gebreken.+  Bij de ram hoort een graanoffer van een efa* en bij de mannetjeslammeren wat hij als graanoffer kan geven, samen met een hin* olie per efa.+  Op de dag van de nieuwemaan zal het offer bestaan uit een jonge stier uit de kudde, zes mannetjeslammeren en een ram, allemaal dieren zonder gebreken.+  Bij de jonge stier moet hij een graanoffer van een efa brengen, bij de ram een efa en bij de mannetjeslammeren wat hij zich kan veroorloven. Ook moet hij per efa een hin olie offeren.  De leider moet steeds via de voorhal van de poort binnenkomen en langs dezelfde weg weer naar buiten gaan.+  Als het volk van het land tijdens de feesten voor Jehovah’s ogen binnenkomt,+ moeten degenen die via de noordpoort+ binnenkomen om hem te aanbidden, naar buiten gaan via de zuidpoort,+ en degenen die binnenkomen via de zuidpoort, moeten naar buiten gaan via de noordpoort. Niemand mag teruggaan via de poort waardoor hij is binnengekomen, maar ze moeten via de tegenoverliggende poort naar buiten gaan. 10  De leider in hun midden moet binnenkomen wanneer zij binnenkomen en naar buiten gaan wanneer zij naar buiten gaan. 11  Tijdens de feesten en de vieringen hoort er bij de jonge stier een graanoffer van een efa, bij de ram een efa en bij de mannetjeslammeren wat hij kan geven, met een hin olie per efa.+ 12  Als de leider voorziet in een volledig brandoffer+ of vredeoffers als een vrijwillig offer voor Jehovah, moet de oostpoort voor hem geopend worden. Hij zal dan voorzien in zijn volledige brandoffer en zijn vredeoffers, net zoals hij op de sabbat doet.+ Nadat hij naar buiten is gegaan, moet de poort achter hem gesloten worden.+ 13  Elke dag moet je voorzien in een mannetjeslam van nog geen jaar oud zonder gebreken als een volledig brandoffer voor Jehovah.+ Dat moet je elke morgen weer doen. 14  Daarbij moet je elke ochtend voorzien in een zesde efa als graanoffer, met een derde hin olie om de meelbloem te besprenkelen die als vast graanoffer aan Jehovah wordt gebracht. Dat is een blijvend voorschrift. 15  Ze moeten elke ochtend voorzien in het mannetjeslam, het graanoffer en de olie als een vast volledig brandoffer.” 16  Dit zegt de Soevereine Heer Jehovah: “Als de leider aan elk van zijn zonen een geschenk als erfdeel geeft, wordt dat het eigendom van zijn zonen. Het is hun erfelijk bezit. 17  Maar als hij uit zijn erfdeel een geschenk aan een van zijn dienaren geeft, zal het van hem zijn tot het jaar van vrijlating.+ Daarna wordt het weer van de leider. Alleen het erfdeel van zijn zonen komt blijvend in hun bezit. 18  De leider mag niets van het erfdeel van het volk nemen door hen uit hun bezit te verdrijven. Hij moet zijn zonen een erfdeel uit zijn eigen bezit geven, zodat niemand van mijn volk uit zijn bezit wordt verdreven.”’ 19  Via de ingang die naast de poort lag+ bracht hij me vervolgens naar de heilige eetruimten* van de priesters, die op het noorden uitzagen.+ Daar zag ik achterin aan de westkant een ruimte. 20  Hij zei tegen me: ‘Dit is de ruimte waar de priesters het schuldoffer en het zondeoffer zullen koken en waar ze het graanoffer+ zullen bakken, zodat ze niets naar het buitenste voorhof hoeven te brengen, waardoor ze heiligheid op het volk zouden overbrengen.’*+ 21  Hij bracht me naar het buitenste voorhof en leidde me langs de vier hoeken van het voorhof. Bij elke hoek van het buitenste voorhof zag ik een voorhof. 22  Bij de vier hoeken van het voorhof waren kleine voorhoven van 40 el* lang en 30 el breed. Ze hadden alle vier* dezelfde afmetingen. 23  In alle vier was rondom een rand,* en onder de randen waren kookplaatsen gemaakt voor de offers. 24  Toen zei hij tegen me: ‘Dit zijn de huizen waar de tempeldienaren het slachtoffer van het volk koken.’+

Voetnoten

Of ‘heilige vertrekken’.
Lett.: ‘het volk zouden heiligen’.
Dit is de lange el. Zie App. B14.
Of ‘de vier en hun hoekbouwsels hadden’.
Of ‘rij’.