Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Ezechiël 45:1-25

INHOUD

  • Heilige bijdrage en de stad (1-6)

  • Toegewezen deel leider (7, 8)

  • Leiders moeten eerlijk zijn (9-12)

  • Bijdragen volk en leider (13-25)

45  “Als jullie het land als erfdeel toewijzen,+ moeten jullie een heilig deel van het land als bijdrage aan Jehovah aanbieden.+ De lengte ervan moet 25.000 el* zijn en de breedte 10.000 el.+ Dat hele gebied zal* een heilig deel zijn.  Hierbinnen zal een vierkant stuk van 500 bij 500 el*+ zijn voor de heilige plaats, met aan elke kant 50 el als weidegrond.+  Van dat afgemeten gebied moet je een lengte van 25.000 en een breedte van 10.000 afmeten, en daarin zal het heiligdom komen, iets allerheiligst.  Het zal een heilig deel van het land zijn voor de priesters,+ de dienaren van het heiligdom, die naderen om Jehovah te dienen.+ Het zal een plaats zijn voor hun huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.  Voor de Levieten, de tempeldienaren, zal er een deel zijn van 25.000 el lang en 10.000 el breed,+ en ze zullen 20 eetruimten*+ in bezit krijgen.  Jullie moeten de stad een gebied in bezit geven van 25.000 el lang (net zoals de heilige bijdrage) en 5000 el breed.+ Het zal van het hele huis van Israël zijn.  En de leider zal land krijgen aan beide kanten van de heilige bijdrage en van het gebied dat aan de stad is toegewezen. Het zal naast de heilige bijdrage en het bezit van de stad liggen. Het zal aan de westkant en aan de oostkant liggen. Van de west- tot de oostgrens zal het net zo lang zijn als een van de delen voor de stammen.+  Dit land zal zijn bezit in Israël worden. Mijn leiders zullen mijn volk niet langer slecht behandelen,+ en ze zullen het land aan het huis van Israël geven volgens hun stammen.”+  Dit zegt de Soevereine Heer Jehovah: “Zo is het genoeg, leiders van Israël!” “Stop met geweld en onderdrukking en doe wat juist en rechtvaardig is.+ Houd ermee op het bezit van mijn volk in beslag te nemen”,+ verklaart de Soevereine Heer Jehovah. 10  “Gebruik een nauwkeurige weegschaal, een nauwkeurige efa* en een nauwkeurige bath.*+ 11  Er moet een vaste maat zijn voor de efa en de bath. De bath moet een tiende homer* zijn en ook de efa moet een tiende homer zijn. De homer zal de standaardmaat zijn. 12  De sikkel*+ moet 20 gera* zijn. En 20 sikkels plus 25 sikkels plus 15 sikkels is één mane.”* 13  “Dit is de bijdrage die jullie moeten aanbieden: een zesde efa van elke homer tarwe en een zesde efa van elke homer gerst. 14  Het toegewezen deel van de olie moet gebaseerd zijn op de bath. De bath is een tiende van een kor* en tien bath is een homer, want tien bath is gelijk aan een homer. 15  En uit de veestapel van Israël moet er van elke 200 schapen één gegeven worden. Die zijn voor het graanoffer,+ het volledige brandoffer+ en de vredeoffers,+ waarmee verzoening voor het volk wordt gedaan”,+ verklaart de Soevereine Heer Jehovah. 16  “Het hele volk van het land zal deze bijdrage+ aan de leider in Israël geven. 17  Maar de leider zal de verantwoordelijkheid dragen voor de volledige brandoffers,+ het graanoffer+ en het drankoffer tijdens de feesten,+ de nieuwemaansvieringen, de sabbatten+ en alle vastgestelde feesten van het huis van Israël.+ Hij moet voorzien in het zondeoffer, het graanoffer, het volledige brandoffer en de vredeoffers, waarmee verzoening wordt gedaan voor het huis van Israël.” 18  Dit zegt de Soevereine Heer Jehovah: “Op de eerste dag van de eerste maand moet je een jonge stier zonder gebreken uit de kudde nemen, en je moet het heiligdom reinigen van zonde.+ 19  De priester moet wat van het bloed van het zondeoffer nemen en dat op de deurpost van de tempel+ strijken, op de vier hoeken van de omloop van het altaar en op de deurpost van de poort van het binnenste voorhof. 20  Hetzelfde moet je op de zevende dag van de maand doen voor iedereen die onopzettelijk of uit onwetendheid zondigt,+ en jullie moeten verzoening doen voor de tempel.+ 21  Op de 14de dag van de eerste maand moeten jullie het paschafeest vieren.+ Zeven dagen lang moet er ongezuurd brood worden gegeten.+ 22  Op die dag moet de leider voorzien in een jonge stier als zondeoffer voor zichzelf en voor het hele volk van het land.+ 23  Tijdens de zeven dagen van het feest moet hij als volledig brandoffer voor Jehovah op elk van de zeven dagen voorzien in zeven jonge stieren en zeven rammen zonder gebreken+ en ook elke dag in een geitenbok als zondeoffer. 24  Daarnaast moet hij voorzien in een graanoffer van een efa voor elke jonge stier en een efa voor elke ram, en ook in een hin* olie per efa. 25  Vanaf de 15de dag van de zevende maand, op het feest, moet hij zeven dagen lang in hetzelfde voorzien:+ het zondeoffer, het volledige brandoffer, het graanoffer en de olie.”’

Voetnoten

Dit is de lange el. Zie App. B14.
Of ‘binnen al zijn grenzen zal het’.
Lett.: ‘500 bij 500’.
Of ‘vertrekken’.
Of ‘mine’. Zie App. B14.