Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Het tweede boek Samuël 5:1-25

INHOUD

  • David koning over heel Israël (1-5)

  • Jeruzalem ingenomen (6-16)

    • Sion, de Stad van David (7)

  • David verslaat Filistijnen (17-25)

5  Na verloop van tijd kwamen alle stammen van Israël bij David in He̱bron+ en zeiden: ‘Wij zijn uw eigen vlees en bloed.*+  Toen Saul nog onze koning was, was u het die Israël aanvoerde in de strijd.+ En Jehovah zei tegen u: “Jij zult herder en leider worden over Israël.”’+  Zo kwamen alle oudsten van Israël bij de koning in He̱bron, en koning David sloot daar een verbond met hen+ met Jehovah als getuige. Toen zalfden ze David tot koning over Israël.+  David was 30 jaar oud toen hij koning werd en hij heeft 40 jaar geregeerd.+  In He̱bron regeerde hij 7 jaar en 6 maanden over Juda, en in Jeruzalem+ regeerde hij 33 jaar over heel Israël en Juda.  De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem tegen de Jebusieten,+ die daar woonden. Ze zeiden spottend tegen David: ‘Jij komt hier nooit binnen! Zelfs de blinden en kreupelen zullen je wegjagen.’ Ze dachten: het gaat David nooit lukken hier binnen te komen.+  Toch nam David de vesting Sion in, die nu de Stad van David+ is.  Dus zei David die dag: ‘Degenen die de Jebusieten aanvallen, moeten door de watertunnel gaan om de “blinden en kreupelen” neer te slaan, die door David* gehaat worden!’ Daarom zegt men: ‘De blinden en de kreupelen zullen het huis nooit binnenkomen.’  David ging in de vesting wonen, en die werd de Stad van David genoemd.* Daarna liet David overal bouwen, op de Mi̱llo*+ en elders in de stad.+ 10  Zo werd David steeds machtiger,+ en Jehovah, de God van de legermachten, was met hem.+ 11  Koning Hi̱ram+ van Tyrus stuurde boodschappers naar David, en ook cederhout,+ houtbewerkers en metselaars* om muren te bouwen, en ze gingen een huis* voor David bouwen.+ 12  En David wist dat Jehovah zijn koningschap over Israël had bevestigd+ en dat Hij zijn koninkrijk ter wille van Zijn volk Israël+ veel aanzien had gegeven.+ 13  Nadat David vanuit He̱bron naar Jeruzalem was gekomen, nam hij nog meer bijvrouwen+ en vrouwen, en hij kreeg nog meer zonen en dochters.+ 14  Dit zijn de namen van de zonen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammu̱a, So̱bab, Nathan,+ Salomo,+ 15  Ji̱bhar, Elisu̱a, Ne̱feg, Jafi̱a, 16  Elisa̱ma, E̱ljada en Elife̱let. 17  Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over Israël was gezalfd,+ gingen ze eropuit om David te grijpen.+ David kreeg het te horen en daalde direct af naar de schuilplaats.+ 18  De Filistijnen deden een inval en verspreidden zich over het Re̱faïmdal.*+ 19  David vroeg Jehovah om leiding+ en zei: ‘Zal ik de Filistijnen aanvallen? Zult u ze aan mij overleveren?’ Jehovah antwoordde: ‘Ga, want ik zal de Filistijnen zeker aan je overleveren.’+ 20  David ging naar Baäl-Pe̱razim en versloeg de Filistijnen daar. Toen zei hij: ‘Jehovah is door de vijandelijke linies heen gebroken+ zoals water een barrière doorbreekt.’ Daarom noemde hij die plaats Baäl-Pe̱razim.*+ 21  De Filistijnen lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen de afgoden mee.* 22  Later deden de Filistijnen nog een inval en ze verspreidden zich weer over het Re̱faïmdal.+ 23  David vroeg Jehovah om leiding, en Hij zei: ‘Ga niet recht op ze af. Trek om ze heen tot je achter ze bent, en val ze aan bij de baka-struiken. 24  Als je in de toppen van de baka-struiken het geluid van marcheren hoort, kom dan direct in actie, want dan is Jehovah voor je uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan.’ 25  David deed wat Jehovah hem had opgedragen en sloeg de Filistijnen neer+ van Ge̱ba+ tot aan Ge̱zer.+

Voetnoten

Lett.: ‘uw been en uw vlees’.
Of ‘Davids ziel’.
Of mogelijk ‘en hij noemde het de Stad van David’.
Bet.: ‘opvullen’. Mogelijk een soort fort.
Of ‘steenhouwers’.
Of ‘paleis’.
Of ‘de Laagvlakte van Refaïm’.
Bet.: ‘meester van doorbraken’.
Blijkbaar namen ze de afgoden mee om die te vernietigen. Zie 1Kr 14:12.