Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Het eerste boek Samuël 12:1-25

INHOUD

  • Samuëls afscheidstoespraak (1-25)

    • ‘Volg geen dingen die niets waard zijn’ (21)

    • Jehovah laat volk niet in steek (22)

12  Uiteindelijk zei Samuël tegen heel Israël: ‘Ik heb alles gedaan* wat jullie me vroegen en ik heb een koning aangesteld om over jullie te regeren.+  Hier hebben jullie de koning die jullie leidt!*+ Ik ben oud en grijs geworden, en mijn zonen zijn hier bij jullie,+ en ik heb jullie van jongs af aan tot nu toe geleid.+  Hier ben ik, getuig tegen mij in aanwezigheid van Jehovah en zijn gezalfde:+ Van wie heb ik een stier of een ezel afgenomen?+ Wie heb ik afgezet of onderdrukt? Door wie heb ik me laten omkopen* om iets door de vingers te zien?+ Als dat zo is, zal ik het jullie vergoeden.’+  Ze antwoordden: ‘U hebt ons niet afgezet of onderdrukt en u hebt van niemand iets aangenomen.’  Hij zei dus tegen ze: ‘Jehovah en ook zijn gezalfde zijn vandaag mijn getuige dat ik nergens schuldig aan ben.’* Ze zeiden: ‘Hij is getuige.’  Samuël zei tegen het volk: ‘Jehovah, die Mozes en Aäron heeft aangesteld en die jullie voorouders uit Egypte heeft geleid,+ is getuige.  Ga hier staan, dan zal ik in aanwezigheid van Jehovah tegen jullie pleiten en jullie alle rechtvaardige daden voorhouden die Jehovah voor jullie en je voorouders heeft gedaan.  Toen Jakob in Egypte was gekomen+ en jullie voorouders tot Jehovah om hulp gingen roepen,+ stuurde Jehovah Mozes+ en Aäron om jullie voorouders uit Egypte te leiden zodat ze hier konden gaan wonen.+  Maar ze vergaten Jehovah, hun God. Hij leverde ze toen over*+ aan Si̱sera,+ de legeraanvoerder van Ha̱zor, en aan de Filistijnen+ en de koning van Moab,+ en die voerden oorlog tegen hen. 10  En ze riepen tot Jehovah om hulp+ en zeiden: “We hebben gezondigd,+ want we hebben Jehovah verlaten om de Baäls+ en de A̱storethbeelden+ te vereren. Red ons nu uit de greep van onze vijanden, zodat we u kunnen dienen.” 11  Vervolgens stuurde Jehovah Jerubba̱äl,+ Be̱dan, Jefta+ en Samuël+ en bevrijdde hij jullie uit de handen van de vijanden om jullie heen, zodat jullie veilig konden wonen.+ 12  Maar toen jullie zagen dat koning Na̱has+ van de Ammonieten jullie aanviel, bleven jullie tegen me zeggen: “Nee, we willen absoluut een koning hebben”,+ terwijl Jehovah, je God, jullie Koning is.+ 13  Hier is de koning die jullie hebben gekozen, om wie jullie hebben gevraagd. Jehovah heeft een koning over jullie aangesteld.+ 14  Maar het zal alleen goed gaan als jullie ontzag voor Jehovah hebben,+ hem dienen+ en gehoorzamen,+ en niet in opstand komen tegen het bevel van Jehovah. Zowel jullie als de koning die over jullie regeert, moeten Jehovah, je God, volgen. 15  Maar als jullie Jehovah niet gehoorzamen en in opstand komen tegen het bevel van Jehovah, zal Jehovah jullie en jullie vaders straffen.+ 16  Ga hier staan en zie met eigen ogen de indrukwekkende dingen die Jehovah zal doen. 17  Het is toch de tijd van de tarweoogst? Ik zal Jehovah vragen of hij het wil laten donderen en regenen. Dan zullen jullie begrijpen dat jullie in Jehovah’s ogen iets heel slechts hebben gedaan door om een koning te vragen.’+ 18  Toen riep Samuël tot Jehovah, en Jehovah liet het die dag donderen en regenen, zodat het hele volk diep ontzag kreeg voor Jehovah en voor Samuël. 19  En ze zeiden tegen Samuël: ‘Bid voor ons tot Jehovah,+ uw God, zodat we niet zullen sterven, want we hebben al veel zonden begaan en nu hebben we nog iets slechts gedaan door om een koning te vragen.’ 20  Samuël zei tegen het volk: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Het is waar dat jullie al die zonden hebben begaan. Maar houd er niet mee op Jehovah te volgen,+ en blijf Jehovah met je hele hart dienen.+ 21  Dwaal niet af om dingen te volgen die niets waard zijn,*+ waar je niets aan hebt+ en die je niet kunnen redden, want ze zijn waardeloos.* 22  Ter wille van zijn grote naam+ zal Jehovah zijn volk niet in de steek laten,+ want Jehovah zelf heeft besloten dat jullie zijn volk zouden worden.+ 23  Voor mij is het ondenkbaar dat ik tegen Jehovah zou zondigen door niet meer voor jullie te bidden. Ook zal ik ermee doorgaan jullie te leren wat de goede en rechte weg is. 24  En jullie, heb ontzag voor Jehovah+ en dien hem trouw* met je hele hart. Denk terug aan de geweldige dingen die hij voor jullie heeft gedaan.+ 25  Maar als jullie koppig blijven doen wat slecht is, zullen jullie samen met je koning+ worden vernietigd.’+

Voetnoten

Lett.: ‘naar jullie stem geluisterd betreffende’.
Lett.: ‘vóór jullie wandelt’.
Of ‘van wie heb ik zwijggeld aangenomen’.
Lett.: ‘jullie niets in mijn hand hebben aangetroffen’.
Lett.: ‘verkocht ze’.
Of ‘om onwerkelijkheden te volgen’.
Of ‘onwerkelijkheden’.
Of ‘in waarheid’.