Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zefanja 3:1-20

3  Wee haar die weerspannig* is en zich bezoedelt, de onderdrukkende stad!+  Ze heeft niet naar een stem geluisterd;+ ze heeft geen streng onderricht aanvaard.+ Op Jehovah heeft ze niet vertrouwd.+ Tot haar God* is ze niet genaderd.+  Haar vorsten in haar midden waren brullende leeuwen.+ Haar rechters waren avondwolven die [beenderen] niet afknaagden tot de morgen.+  Haar profeten waren onbeschaamd, waren mannen van verraad.+ Haar priesters zelf ontwijdden wat heilig was; zij deden [de] wet geweld aan.+  Jehovah was rechtvaardig in haar midden;+ hij placht geen onrecht te doen.+ Morgen na morgen bleef hij zijn eigen rechterlijke beslissing geven.+ Bij daglicht bleek ze niet te ontbreken.+ Maar de onrechtvaardige kende geen schaamte.+  „Ik heb natiën afgesneden; hun hoektorens werden woest gelegd. Ik heb hun straten verwoest, zodat er niemand doorheen trok. Hun steden werden woest gelegd, zodat er geen man* was, zodat er geen inwoner was.+  Ik zei: ’Gij zult mij vast en zeker vrezen; gij zult streng onderricht aanvaarden’,+ zodat haar woning niet afgesneden zou worden+ — van dat alles moet ik haar rekenschap vragen.+ Waarlijk, zij waren er vlug bij om al hun handelingen verderfelijk te maken.+  ’Daarom, blijft mij verwachten,’+ is de uitspraak van Jehovah, ’tot de dag dat ik opsta* tot [de] buit,*+ want mijn rechterlijke beslissing is, natiën te vergaderen,+ dat ik koninkrijken bijeenbreng, ten einde mijn openlijke veroordeling erover uit te storten,+ heel mijn brandende toorn; want door het vuur van mijn ijver zal heel de aarde* verslonden worden.+  Want dan zal ik volken tot een zuivere taal* doen overgaan,+ opdat zij allen de naam van Jehovah aanroepen,+ ten einde hem schouder aan schouder* te dienen.’+ 10  Uit de streek van de rivieren van Ethio̱pië* zullen mijn smekelingen, [namelijk] de dochter van mijn verstrooiden, mij een geschenk brengen.+ 11  Op die dag zult gij* niet beschaamd staan wegens al uw handelingen waarmee gij tegen mij in overtreding zijt geweest,+ want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen;+ en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg.+ 12  En ik zal stellig in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven,+ en zij zullen werkelijk hun toevlucht zoeken bij de naam van Jehovah.+ 13  Wat de overgeblevenen van I̱sraël+ betreft, zij zullen geen onrecht doen,+ noch leugen spreken,+ noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden;+ want zijzelf zullen weiden en zich werkelijk uitgestrekt neerleggen,+ en er zal niemand zijn die [hen] doet beven.”+ 14  Hef een vreugdegeroep aan, o dochter van Si̱on! Breek uit in juichkreten,+ o I̱sraël! Verheug u en heb van ganser harte uitbundige vreugde, o dochter van Jeru̱zalem!+ 15  Jehovah heeft de oordelen [die] op u [rustten] weggenomen.+ Hij heeft uw vijand verwijderd.+ De koning van I̱sraël, Jehovah, is in uw midden.+ Gij zult geen rampspoed meer vrezen.+ 16  Op die dag zal tot Jeru̱zalem worden gezegd: „Wees niet bevreesd, o Si̱on.+ Mogen uw handen niet verslappen.+ 17  Jehovah, uw God,* is in uw midden. Als een Machtige* zal hij redden.+ Hij zal met verheuging uitbundige vreugde over u hebben.+ Hij zal stilzwijgen in zijn liefde. Hij zal blij om u zijn met kreten van geluk. 18  Degenen die met droefheid geslagen zijn+ om [hun] afwezigheid bij [uw] feesttijd zal ik stellig vergaderen;+ afwezig van u* bleken zij te zijn, omdat zij vanwege haar smaad droegen.+ 19  Zie! Ik treed handelend op tegen allen die u kwellen, in die tijd;+ en ik wil haar redden die kreupel gaat,+ en haar die verdreven is, zal ik bijeenbrengen.+ En ik wil hen stellen tot een lof en tot een naam in heel het land van hun schaamte. 20  In die tijd zal ik ulieden herwaarts brengen, ja in de tijd dat ik U bijeenbreng. Want ik zal ulieden maken tot een naam en een lof onder alle volken der aarde, wanneer ik UW gevangenen voor UW ogen doe terugkeren”, heeft Jehovah gezegd.+

Voetnoten

Of: „besmeurd.”
„Haar God.” Hebr.: ʼElo·heiʹha; Gr.: Theʹon.
„Man.” Hebr.: ʼisj.
„Ik opsta.” Hebr.: qoe·miʹ; LXX(Gr.: a·na·staʹse·os mou)Vg(Lat.: re·sur·rec·ti·oʹnis meʹae), „[dag van] mijn opstanding”. Zie Mt 22:23 vtn.
„Tot [de] buit.” Hebr.: leʽadhʹ; LXXSy en door een andere vocalisatie: „tot een getuigenis”; Lat.: in fu·tuʹrum, „in de toekomst”.
Of: „het land.” Hebr.: ha·ʼaʹrets.
Lett.: „een reine lip.” Hebr.: sa·fahʹ veroe·rahʹ. Zie Ge 11:1.
Lett.: „[met] één schouder.”
„Ethiopië”, LXXVg; M(Hebr.: Khoesj)Sy: „Kusch”; T(Aram.): Hōʹdhoe, „India”.
„Gij”, in het Hebr. vr. enk., doelend op de stad.
„Uw God.” Hebr.: ʼElo·haʹjikh; Gr.: Theʹos.
„Als een Machtige (Sterke).” Hebr.: Gib·bōrʹ. Vgl. Jes 10:21 vtn., „God”.
„U”, in het Hebr. vr. enk., doelend op de stad Jeruzalem.