Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 8:1-23

8  En het woord van Jehovah der legerscharen bleef komen, en luidde:  „Dit heeft Jehovah der legerscharen+ gezegd: ’Ik wil jaloers zijn ten opzichte van Si̱on met grote jaloezie,+ en met grote woede+ wil ik jaloers zijn ten opzichte van haar.’”  „Dit heeft Jehovah gezegd: ’Ik wil naar Si̱on terugkeren+ en in het midden van Jeru̱zalem verblijven;+ en Jeru̱zalem zal stellig de stad van waarachtigheid* worden genoemd,+ en de berg van Jehovah+ der legerscharen, de heilige berg.’”+  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen op de openbare pleinen van Jeru̱zalem zitten,+ een ieder ook met zijn staf+ in zijn hand wegens de overvloed van [zijn] dagen.  En de openbare pleinen van de stad zelf zullen gevuld zijn met jongens en meisjes die spelen op haar openbare pleinen.’”+  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Zou het, hoewel het te moeilijk* zou schijnen in de ogen van de overgeblevenen van dit volk in die dagen, ook te moeilijk schijnen in mijn ogen?’,*+ is de uitspraak van Jehovah der legerscharen.”  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Zie, ik red mijn volk uit het land van de zonsopgang en uit het land van de zonsondergang.+  En ik zal hen stellig hierheen brengen, en zij moeten in het midden van Jeru̱zalem verblijven;+ en zij moeten mijn volk worden,+ en ikzelf zal hun God worden* in waarachtigheid en in rechtvaardigheid.’”+  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Laten UW handen sterk zijn,+ GIJ die in deze dagen deze woorden uit de mond van de profeten hoort,+ op de dag waarop het fundament van het huis van Jehovah der legerscharen werd gelegd, opdat de tempel gebouwd zou worden.+ 10  Want vóór die dagen werd het niet mogelijk gemaakt dat er loon voor de mensen* was;+ en wat het loon van de huisdieren betreft, iets dergelijks was er niet;* en voor wie uitging en voor wie binnenkwam was er geen vrede vanwege de tegenstander,*+ aangezien ik alle mensen tegen elkaar bleef opzetten.’+ 11  ’En nu zal ik voor de overgeblevenen van dit volk niet zijn als in de vroegere dagen’,+ is de uitspraak van Jehovah der legerscharen. 12  ’Want het zaad van vrede zal er zijn;+ de wijnstok zelf zal zijn vrucht geven,+ en de aarde zelf zal haar opbrengst geven,+ en de hemel zelf zal zijn dauw geven;+ en ik zal stellig de overgeblevenen+ van dit volk al deze [dingen] doen beërven.+ 13  En het moet geschieden dat net zoals GIJ een vervloeking onder de natiën zijt geworden,+ o huis van Ju̱da en huis van I̱sraël,+ zo zal ik U redden, en GIJ moet een zegen worden.+ Weest niet bevreesd.+ Mogen UW handen sterk zijn.’+ 14  Want dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’„Net zoals ik in gedachten had te doen wat rampspoedig voor ulieden was, omdat UW voorvaders mij verontwaardigd maakten”,+ heeft Jehovah der legerscharen gezegd, „en ik geen spijt gevoelde,+ 15  zo wil ik in deze dagen wederom in gedachten hebben Jeru̱zalem en het huis van Ju̱da goed te bejegenen.+ Weest niet bevreesd.”’+ 16  ’Dit zijn de dingen die GIJ dient te doen:+ Spreekt de waarheid met elkaar.*+ Oefent met waarheid en het oordeel van vrede UW rechtspraak uit in UW poorten.+ 17  En zint niet op rampspoed jegens elkaar in UW hart,+ en hebt geen enkele valse eed lief;+ want dit zijn allemaal dingen die ik heb gehaat’,+ is de uitspraak van Jehovah.” 18  En het woord van Jehovah der legerscharen kwam verder tot mij, en luidde: 19  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’De vasten van de vierde+ [maand], en de vasten van de vijfde+ [maand], en de vasten van de zevende+ [maand], en de vasten van de tiende+ [maand] zullen voor het huis van Ju̱da tot uitbundige vreugde en tot verheuging en tot goede feesttijden worden.+ Hebt daarom waarheid en vrede lief.’+ 20  Dit heeft Jehovah* der legerscharen gezegd: ’Het zal nog [geschieden] dat de volken en de inwoners van vele steden zullen komen;+ 21  en de inwoners van de ene [stad] zullen stellig naar [die van] een andere gaan en zeggen: „Laten wij in alle ernst gaan+ om het aangezicht van Jehovah te vermurwen+ en Jehovah der legerscharen te zoeken. Ikzelf wil ook gaan.”+ 22  En vele volken en machtige natiën zullen werkelijk komen om Jehovah der legerscharen in Jeru̱zalem te zoeken+ en het aangezicht van Jehovah te vermurwen.’ 23  Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Het zal zijn in die dagen dat tien mannen* uit alle talen* der natiën+ zullen vastgrijpen,+ ja, zij zullen werkelijk de slip vastgrijpen van een man* die een jood* is,+ en zeggen: „Wij willen met ulieden gaan,+ want wij hebben gehoord [dat] God* met ulieden is.”’”+

Voetnoten

Of: „de stad van waarheid.” Hebr.: ʽir-ha·ʼemethʹ.
Of: „te wonderlijk.” LXX: „onmogelijk.”
„Moet het, hoewel het onmogelijk zal zijn in de ogen van de overgeblevenen van dit volk in die dagen, ook onmogelijk zijn in mijn ogen?”, LXX. Vgl. Mt 19:26.
Of: „ikzelf zal . . . bewijzen (blijken) te zijn.” Hebr.: ʼeh·jehʹ. Vgl. Ex 3:14 vtn.
Lett.: „loon van de aardse mens.” Hebr.: sekharʹ ha·ʼa·dhamʹ.
„Iets dergelijks was er niet.” Lett.: „er was geen”, met een vr. achtervoegsel; niet doelend op het „loon”, in het Hebr. mnl., maar op de uitbetaling van het loon.
Of: „de benauwdheid.”
Of: „een ieder met zijn metgezel.”
Zie App. 1C (4).
„Mannen.” Hebr.: ʼana·sjimʹ, mv. van ʼisj.
Lett.: „tongen.” Vgl. Ge 11:1.
„Een man.” Hebr.: ʼisj.
„Een jood.” Hebr.: Jehoe·dhiʹ.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.