Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 7:1-14

7  Bovendien geschiedde het dat in het vierde jaar van koning Dari̱us+ het woord van Jehovah tot Zachari̱a kwam, op de vierde [dag] van de negende maand, [dat is] in Ki̱slev.*+  En Be̱thel zond vervolgens Sare̱zer en Re̱gem-Me̱lech en zijn mannen* om het aangezicht van Jehovah te vermurwen+  en te zeggen tot de priesters+ die tot het huis van Jehovah der legerscharen behoorden, en tot de profeten, ja, te zeggen: „Zal ik in de vijfde+ maand wenen [en] een onthouding in acht nemen,* zoals ik nu al, o, [wie weet] hoeveel jaren heb gedaan?”+  En het woord van Jehovah der legerscharen kwam verder tot mij, en luidde:  „Zeg tot heel het volk van het land* en tot de priesters: ’Hebt GIJ, toen GIJ vastte+ en er geweeklaag was in de vijfde [maand] en in de zevende+ [maand], en dit zeventig jaar+ lang, werkelijk voor mij gevast, ja voor mij?+  En toen GIJ placht te eten en toen GIJ placht te drinken, waart GÍJ́ dan niet aan het eten en waart GÍJ́ dan niet aan het drinken?  [Dient GIJ] niet de woorden [te gehoorzamen]+ die Jehovah uitriep door bemiddeling van de vroegere profeten,+ terwijl Jeru̱zalem nog bewoond was, en onbezorgd, met haar steden rondom haar, en [terwijl] de Ne̱geb*+ en de Sjefe̱la*+ bewoond waren?’”  En het woord van Jehovah kwam verder tot Zachari̱a, en luidde:  „Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: ’Oefent met ware gerechtigheid* UW rechtspraak uit;+ en betracht liefderijke goedheid*+ en barmhartigheden+ jegens elkaar; 10  en doet geen weduwe+ of vaderloze jongen,+ geen inwonende vreemdeling+ of ellendige te kort,+ en beraamt niets kwaads tegen elkaar in UW hart.’+ 11  Maar zij bleven weigeren aandacht te schenken,+ en zij bleven een weerbarstige schouder bieden,+ en hun oren maakten zij te ongevoelig om te horen.+ 12  En hun hart+ maakten zij als een amarilsteen, om de wet en de woorden niet te gehoorzamen+ die Jehovah der legerscharen door zijn geest,+ door bemiddeling van de vroegere profeten, zond,+ zodat er grote verontwaardiging van de zijde van Jehovah der legerscharen ontstond.”+ 13  „’En zo geschiedde het dat, net zoals hij riep en zij niet luisterden,+ zo ook zij telkens riepen en ik niet luisterde’,+ heeft Jehovah der legerscharen gezegd. 14  ’En vervolgens slingerde ik hen als door een storm weg onder alle natiën,+ die zij niet gekend hadden;+ en het land zelf is achter hen eenzaam en woest gelaten, zonder dat er iemand doorheen trekt en zonder dat er iemand terugkeert;+ en zij maakten het begeerlijke land+ voorts tot een voorwerp van ontzetting.’”

Voetnoten

Na de ballingschap de naam van de negende joodse maanmaand, die in november/december valt. Zie App. 8B.
„En zijn mannen.” Hebr.: wa·ʼana·sjavʹ, mv. van ʼisj.
„Een onthouding in acht nemen.” Hebr.: hin·na·zerʹ, in de infinitivus absolutus, een ww.-vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
Volk van het land.” Hebr.: ʽam ha·ʼaʹrets. Zie Hag 2:4 vtn.
Of: „het zuiden”, d.w.z. het zuidelijke deel van het Beloofde Land.
Of: „het laagland.”
Lett.: „[met] het gericht van waarheid.”
Of: „en . . . loyale liefde.” Hebr.: wecheʹsedh.