Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 6:1-15

6  Toen sloeg ik wederom mijn ogen op en zag; en zie! er kwamen vier wagens van tussen twee bergen vandaan, en de bergen waren koperbergen.  Voor de eerste wagen waren rode paarden+ en voor de tweede wagen zwarte paarden.+  En voor de derde wagen waren witte paarden+ en voor de vierde wagen gevlekte, bontgekleurde paarden.+  En ik nam vervolgens het woord en zei tot de engel* die met mij sprak: „Wat zijn dit, mijn heer?”*+  De engel dan antwoordde en zei tot mij: „Dit zijn de vier geesten*+ van de hemel, die uitgaan+ nadat ze hun positie voor de Heer* van de gehele aarde+ hebben ingenomen.+  Wat de ene* betreft waar de zwarte paarden [voorgespannen] zijn, deze trekken uit naar het land van het noorden;+ en wat de witte betreft, deze moeten uittrekken naar [het land] achter de zee;* en wat de gevlekte betreft, deze moeten uittrekken naar het land van het zuiden.*+  En wat de bontgekleurde+ betreft, deze moeten uittrekken en blijven zoeken [waarheen ze] zullen gaan, ten einde de aarde te doorkruisen.”+ Toen zei hij: „Gaat, doorkruist de aarde.” En ze* gingen de aarde doorkruisen.  En vervolgens riep hij mij luid toe en sprak tot mij, en zei: „Zie, die daar uittrekken naar het land van het noorden, zijn het die de geest+ van Jehovah* in het land van het noorden+ hebben doen rusten.”  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde: 10  „Laat er iets genomen worden van de ballingen,+ [ja,] van He̱ldai en van Tobi̱a en van Jeda̱ja; en gijzelf moet op die dag komen, en gij moet het huis binnengaan van Josi̱a, de zoon van Zefa̱nja,+ [met dezen] die uit Ba̱bylon* zijn gekomen. 11  En gij moet zilver en goud nemen en een luisterrijke kroon*+ maken en [die] op het hoofd van Jo̱zua,*+ de zoon van Jo̱zadak, de hogepriester, zetten. 12  En gij moet tot hem zeggen: ’Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: „Hier is de man*+ wiens naam Spruit+ is. En vanuit zijn eigen plaats zal hij ontspruiten, en hij zal stellig de tempel* van Jehovah bouwen.+ 13  En hijzelf zal de tempel van Jehovah bouwen, en wat hem aangaat, hij zal [de] waardigheid dragen;+ en hij moet neerzitten en heersen op zijn troon, en hij moet priester worden op zijn troon,+ en de raad van vrede,+ díé zal tussen hen beiden blijken te zijn. 14  En de luisterrijke kroon* zelf zal gaan toebehoren aan He̱lem* en aan Tobi̱a en aan Jeda̱ja+ en aan Hen,* de zoon van Zefa̱nja, als een gedachtenis+ in de tempel van Jehovah. 15  En zij die ver weg zijn, zullen komen en werkelijk aan de tempel van Jehovah bouwen.”+ En gijlieden zult moeten weten dat Jehovah der legerscharen zelf mij tot U gezonden heeft.+ En het moet geschieden — indien GIJ zonder mankeren naar de stem van Jehovah, UW God, zult luisteren.’”+

Voetnoten

Of: „boodschapper.”
„Mijn heer.” Hebr.: ʼadho·niʹ; Gr.: kuʹri·e; Lat.: doʹmi·ne.
„Geesten.” Hebr.: roe·chōthʹ; LXXVg: „winden.” Zie Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
„Heer van.” Hebr.: ʼAdhōnʹ; Gr.: Kuʹri·oi; Lat.: Do·mi·na·toʹre.
„De ene”, in het Hebr. vr., doelend op de wagen, eveneens vr.
„Naar [het land] achter de zee”, door een geringe verandering; MLXXVg: „achter hen”; niet in dezelfde richting, maar westwaarts naar de Grote Zee, de Middellandse Zee.
„Het zuiden”, M(Hebr.: hat·tē·manʹ)TLXXSyVg.
„Ze”, in het Hebr. vr., mogelijk doelend op geesten.
„De geest van Jehovah”, volgens BHK en BHS vtnn.; MSyVg: „mijn geest”; LXX: „mijn toorn”; T: „mijn wil [doen].” Zie App. 1A.
„Babylon”, LXXVg; MTSy: „Babel.”
„Een luisterrijke (grote) kroon”, T; LXXhss.Sy: „een kroon”; MLXXVg: „kronen.” Vgl. vs. 14 vtn., „Kroon”.
Zie 3:1 vtn., „Jozua”.
„Hier is de man.” Hebr.: hin·neh-ʼisjʹ; Gr.: Iʹdou aʹner; Lat.: ecʹce vir. Zie Jo 19:5.
„De tempel van.” Hebr.: hē·khalʹ; Lat.: temʹplum. Zie Mt 23:16 vtn.
„Luisterrijke kroon.” Lett.: „kronen”, mv. ter aanduiding van uitnemendheid en vergezeld van een ww. in het enk.
„Helem”, MTVg; Sy: „Heldai.”
„Hen”, MTVg; Vgc: „Hem”; Sy: „Josia.”