Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 4:1-14

4  En de engel die met mij sprak, kwam vervolgens terug en wekte mij, gelijk een man die uit zijn slaap wordt gewekt.+  Toen zei hij tot mij: „Wat ziet gij?”+ Ik dan zei: „Ik heb gezien, en zie! er is een lampenstandaard, geheel van goud,+ met een schaal erbovenop. En zijn zeven lampen zijn erop, ja zeven;+ en de lampen die erbovenop zijn, hebben zeven pijpen.  En er zijn twee olijfbomen naast hem,+ één aan de rechterzijde van de schaal en één aan haar linkerzijde.”  Toen nam ik het woord en zei tot de engel die met mij sprak: „Wat betekenen deze [dingen], mijn heer?”*+  De engel dan die met mij sprak, antwoordde en zei tot mij: „Weet gij werkelijk niet wat deze dingen betekenen?” Daarop zei ik: „Neen, mijn heer.”+  Bijgevolg antwoordde hij en zei tot mij: „Dit is het woord van Jehovah tot Zerubba̱bel, hetwelk luidt: ’„Niet door een krijgsmacht,*+ noch door kracht,*+ maar door mijn geest”,*+ heeft Jehovah der legerscharen gezegd.  Wie zijt gij, o grote berg?+ Voor het aangezicht van Zerubba̱bel+ [zult gij tot] een vlak land [worden]. En hij zal stellig de hoofdsteen+ te voorschijn brengen. Juichkreten+ zullen ervoor opgaan: „Hoe bekoorlijk! Hoe bekoorlijk!”’”+  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde:  „De handen van Zerubba̱bel zelf hebben het fundament van dit huis gelegd,+ en zijn eigen handen zullen [het] voleindigen.+ En gij zult moeten weten dat Jehovah der legerscharen zelf mij tot ulieden heeft gezonden.+ 10  Want wie heeft de dag der kleine dingen veracht?+ En zij zullen zich stellig verheugen+ en het schietlood* in de hand van Zerubba̱bel zien. Deze zeven zijn de ogen van Jehovah.+ Ze gaan de gehele aarde rond.”+ 11  En vervolgens nam ik het woord en zei tot hem: „Wat betekenen deze twee olijfbomen aan de rechterzijde van de lampenstandaard en aan zijn linkerzijde?”+ 12  Toen nam ik voor de tweede maal het woord en zei tot hem: „Wat zijn de twee bosjes twijgen* van de olijfbomen, die door middel van de twee gouden buizen de gouden [vloeistof] uit zich laten stromen?” 13  Hij dan zei tot mij: „Weet gij werkelijk niet wat deze [dingen] betekenen?” Daarop zei ik: „Neen, mijn heer.”+ 14  Bijgevolg zei hij: „Dit zijn de twee gezalfden*+ die naast de Heer van de gehele aarde*+ staan.”

Voetnoten

„Mijn heer.” Hebr.: ʼadho·niʹ.
Of: „door vitale kracht.” Hebr.: vechaʹjil.
„Door kracht.” Hebr.: vekhoʹach.
„Door mijn geest.” Hebr.: beroe·chiʹ; Gr.: pneuʹma·ti; Lat.: spiʹri·tu. Zie Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
Lett.: „de steen [of: het gewicht], het tin.” Hebr.: ha·ʼeʹven hab·bedhilʹ.
„Bosjes twijgen van.” Hebr.: sjib·balēʹ, mv. Vgl. het overeenkomstige woord in Re 12:6 vtn., „Sjibboleth”.
Lett.: „zonen van de olie”, MVg; LXXSy: „zonen der vettigheid”; T: „zonen der vorsten.”
„Heer van de gehele aarde.” Hebr.: ʼAdhōnʹ kol-ha·ʼaʹrets.