Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 13:1-9

13  Op die dag+ zal er voor het huis van Da̱vid en voor de inwoners van Jeru̱zalem een bron+ geopend blijken te zijn voor zonde+ en voor iets afschuwelijks.+  En het moet geschieden op die dag”, is de uitspraak van Jehovah der legerscharen, „[dat] ik de namen van de afgoden uit het land zal afsnijden,+ en ze zullen niet meer gedacht* worden; en ook de profeten+ en de geest van onreinheid* zal ik uit het land doen verdwijnen.+  En het moet geschieden [dat] ingeval er ooit nog een man* zou profeteren, zijn vader en zijn moeder, zij die zijn geboorte hebben veroorzaakt, dan tot hem moeten zeggen: ’Gij zult niet leven, want leugen hebt gij gesproken in de naam van Jehovah.’ En zijn vader en zijn moeder, zij die zijn geboorte hebben veroorzaakt, moeten hem wegens zijn profeteren doorsteken.+  En het moet geschieden op die dag [dat] de profeten beschaamd zullen worden,+ een ieder om zijn visioen wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren+ ambtsgewaad dragen met het doel te bedriegen.  En hij zal stellig zeggen: ’Ik ben geen profeet. Ik ben een man* die [de] grond bebouwt, want een aardse mens* zelf heeft mij van mijn jeugd af verworven.’  En men moet tot hem zeggen: ’Wat zijn deze wonden* [aan u] tussen uw handen?’ En hij zal moeten zeggen: ’Die waarmee ik in het huis van wie mij intens liefhadden, ben geslagen.’”*  „O zwaard, ontwaak tegen mijn herder,+ ja, tegen de fysiek sterke man die mijn metgezel is”,+ is de uitspraak van Jehovah der legerscharen. „Sla de herder,+ en laten de [schapen] van de kudde verstrooid worden;+ en ik zal stellig mijn hand doen terugkeren over hen die onbetekenend zijn.”*+  „En het moet geschieden in het gehele land”,* is de uitspraak van Jehovah, „[dat] twee delen daarin afgesneden zullen worden [en] de laatste adem zullen uitblazen;+ en wat het derde [deel] betreft, het zal erin overgelaten worden.+  En ik zal het derde [deel] stellig door het vuur heen brengen;+ en ik zal hen werkelijk louteren zoals men zilver loutert,+ en hen toetsen zoals men goud toetst.+ Het zal van zijn kant mijn naam aanroepen, en ik, van mijn kant, zal het antwoorden.+ Ik wil zeggen: ’Het is mijn volk’,+ en het zal op zijn beurt zeggen: ’Jehovah is mijn God.’”+

Voetnoten

Of: „vermeld.”
Of: „de door onreinheid geïnspireerde uiting”; of: „de onreine geïnspireerde uiting.” Vgl. Opb 16:13 vtn., „Uitingen”.
„Een man.” Hebr.: ʼisj.
„Een man.” Hebr.: ʼisj.
„Een aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ; Gr.: an·throʹpos; Vg: „Adam ([was, of: is] mijn voorbeeld van mijn jeugd af).”
Of: „slagen.”
Of: „verwond.”
Of: „de herdersjongens.” Hebr.: hats·tso·ʽarimʹ; LXXA: „de herders”; LXXא,BVg: „de kleinen”, mnl.; Sy: „de hogeren (groten).”
Of: „[op] de . . . aarde.” Hebr.: ha·ʼaʹrets.