Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Zacharia 1:1-21

1  In de achtste maand, in het tweede jaar van Dari̱us,+ kwam het woord van Jehovah tot Zachari̱a,+ de zoon van Bere̱chja,* de zoon van I̱ddo,+ de profeet, hetwelk luidde:  „Jehovah werd verontwaardigd op UW vaderen — en dat zeer hevig.+  En gij moet tot hen zeggen: ’Dit heeft Jehovah der legerscharen* gezegd: „’Keert tot mij terug’,+ is de uitspraak van Jehovah* der legerscharen, ’en ik zal tot U terugkeren’,+ heeft Jehovah* der legerscharen gezegd.”’  ’Wordt niet als UW vaderen,+ tot wie de vroegere profeten riepen+ en zeiden: „Dit heeft Jehovah* der legerscharen gezegd: ’Keert alstublieft terug van UW slechte wegen en van UW slechte handelingen.’”’+ ’Maar zij luisterden niet, en zij schonken geen aandacht aan mij’,+ is de uitspraak van Jehovah.  ’Wat UW vaderen betreft, waar zijn zij?+ En wat de profeten betreft,+ zijn zij soms tot onbepaalde tijd blijven leven?  Wat evenwel mijn woorden en mijn voorschriften aangaat die ik mijn knechten, de profeten, heb geboden,+ hebben die UW vaderen niet achterhaald?’+ Zij dan keerden terug en zeiden: ’Overeenkomstig datgene wat Jehovah der legerscharen in gedachten had ons te doen,+ overeenkomstig onze wegen en overeenkomstig onze handelingen, zo heeft hij met ons gedaan.’”+  Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, dat is de maand Sje̱bat, in het tweede jaar van Dari̱us,+ kwam het woord van Jehovah tot Zachari̱a,+ de zoon van Bere̱chja,* de zoon van I̱ddo,+ de profeet, hetwelk luidde:  „Ik zag [in] de nacht, en zie! een man*+ rijdend op een rood paard,+ en hij stond stil tussen de mirtebomen+ die in de diepte* waren; en achter hem waren rode, helrode en witte paarden.”+  Ik dan zei: „Wie zijn dit, mijn heer?”*+ Daarop zei de engel* die met mij sprak,+ tot mij: „Ikzelf zal u tonen wie dit wel zijn.” 10  Toen antwoordde de man die stilstond tussen de mirtebomen en zei: „Dit zijn degenen die Jehovah heeft uitgezonden om de aarde* te doorkruisen.”+ 11  Daarop antwoordden zij de engel van Jehovah die tussen de mirtebomen stond, en zeiden: „Wij hebben de aarde doorkruist,+ en zie! de hele aarde is in stilheid gezeten en geniet rust.”+ 12  De engel van Jehovah dan antwoordde en zei: „O Jehovah der legerscharen, hoe lang zult gijzelf geen barmhartigheid betonen aan Jeru̱zalem en aan de steden van Ju̱da,+ die gij deze zeventig jaar openlijk hebt veroordeeld?”+ 13  En Jehovah antwoordde vervolgens de engel die met mij sprak, met goede woorden, vertroostende woorden;+ 14  en de engel die met mij sprak, zei daarop tot mij: „Roep uit en zeg: ’Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: „Ik ben ten opzichte van Jeru̱zalem en ten opzichte van Si̱on jaloers geweest met grote jaloezie.+ 15  Met grote verontwaardiging ben ik verontwaardigd op de natiën die onbezorgd zijn;+ want ik, van mijn kant, was slechts in geringe mate verontwaardigd,+ maar zij, van hun kant, hielpen mee aan de rampspoed.”’+ 16  Daarom, dit heeft Jehovah gezegd: ’„Ik zal stellig met barmhartigheden tot Jeru̱zalem terugkeren.+ Mijn eigen huis zal daarin gebouwd worden”,+ is de uitspraak van Jehovah der legerscharen, „en een meetsnoer zelf zal over Jeru̱zalem gespannen worden.”’+ 17  Roep verder nog uit en zeg: ’Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: „Mijn steden zullen nog overvloeien van goedheid;+ en Jehovah zal stellig nog spijt gevoelen over Si̱on+ en werkelijk nog Jeru̱zalem uitkiezen.”’”+ 18  En vervolgens sloeg ik mijn ogen op en zag; en zie! er waren vier hoorns.+ 19  Ik dan zei tot de engel die met mij sprak: „Wat zijn dit?” Hierop zei hij tot mij: „Dit zijn de hoorns die Ju̱da,+ I̱sraël+ en Jeru̱zalem hebben verstrooid.”+ 20  Bovendien toonde Jehovah mij vier handwerkslieden. 21  Toen zei ik: „Wat komen dezen doen?” En hij vervolgde: „Dit zijn de hoorns+ die Ju̱da zozeer hebben verstrooid, dat volstrekt niemand zijn hoofd ophief; en deze anderen zullen komen om hen te doen beven, om de hoorns neer te werpen van de natiën die een hoorn tegen het land Ju̱da* opheffen, ten einde het te verstrooien.”+

Voetnoten

„Berechja.” Hebr.: Be·rekh·jahʹ, zoals in 1Kr 3:20; 1Kr 9:16; Ne 3:4, 30; Ne 6:18.
„Jehovah der legerscharen.” Hebr.: Jehwahʹ tseva·ʼōthʹ. Deze uitdr. komt in Zacharia 53 keer voor.
Zie App. 1C (2).
Zie App. 1C (2).
Zie App. 1C (2).
„Berechja.” Hebr.: Be·rekh·jaʹhoe, zoals in 1Kr 6:39; 1Kr 15:17; 2Kr 28:12.
„Een man.” Hebr.: ʼisj.
Of: „in de afgrond.” Hebr.: bam·metsoe·lahʹ; Lat.: in pro·funʹdo; T: „Babel (Babylon).”
„Mijn heer.” Hebr.: ʼadho·niʹ; Gr.: kuʹri·e; Lat.: doʹmi·ne.
Of: „de boodschapper.” Hebr.: ham·mal·ʼakhʹ; Gr.: ho agʹge·los (spreek uit: anʹge·los); Lat.: anʹge·lus.
Of: „het land.” Hebr.: ba·ʼaʹrets.
„Juda”, MSyVg; LXX: „van Jehovah.”