Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Spreuken 3:1-35

3  Mijn zoon, vergeet niet mijn wet,+ en moge uw hart mijn geboden in acht nemen,+  want lengte van dagen en jaren van leven+ en vrede zullen u worden toegevoegd.*+  Liefderijke goedheid* en waarachtigheid,* mogen die u niet verlaten.+ Bind ze om uw hals.+ Schrijf ze op de tafel van uw hart,+  en vind zo gunst en goed inzicht in de ogen van God* en van de aardse mens.*+  Vertrouw op Jehovah met heel uw hart+ en steun niet op uw eigen verstand.+  Sla in al uw wegen acht op hem,+ en híȷ́ zal uw paden recht maken.+  Word niet wijs in uw eigen ogen.+ Vrees Jehovah en keer u af van het kwaad.+  Moge het tot genezing+ voor uw navel worden en tot verkwikking* voor uw beenderen.+  Eer Jehovah met uw waardevolle dingen+ en met de eerstelingen van heel uw opbrengst.+ 10  Dan zullen uw voorraadruimten met overvloed gevuld worden;+ en van nieuwe wijn zullen uw eigen perskuipen overlopen.*+ 11  Verwerp niet, o mijn zoon, het strenge onderricht van Jehovah;+ en verafschuw zijn terechtwijzing niet,+ 12  want die Jehovah liefheeft, wordt door hem terechtgewezen,+ evenals een vader dit doet met een zoon aan wie hij een welgevallen heeft.+ 13  Gelukkig is de mens die wijsheid+ heeft gevonden, en de mens die onderscheidingsvermogen+ verkrijgt, 14  want haar als gewin te hebben, is beter dan zilver als gewin te hebben, en haar als opbrengst te hebben, beter dan het goud*+ zelf. 15  Ze* is kostbaarder dan koralen,+ en al uw andere verrukkingen kunnen haar niet evenaren. 16  Lengte van dagen is in haar rechterhand;+ in haar linkerhand zijn rijkdom en heerlijkheid.*+ 17  Haar wegen zijn aangename wegen, en al haar paden zijn vrede.+ 18  Ze is een boom des levens+ voor wie haar aangrijpen, en zij die haar stevig vasthouden,+ zijn gelukkig te noemen.+ 19  Jehovah zelf heeft in wijsheid de aarde gegrondvest.+ Hij heeft de hemel stevig bevestigd met onderscheidingsvermogen.+ 20  Door zijn kennis werden zelfs de waterdiepten* vaneengespleten,+ en [uit] de wolkenhemel blijft lichte regen neerdruppelen.+ 21  Mijn zoon, mogen ze niet wijken uit uw ogen.+ Beveilig praktische wijsheid en denkvermogen,+ 22  en ze zullen leven voor uw ziel blijken te zijn+ en een bekoring voor uw hals.+ 23  In dat geval zult gij in zekerheid uw weg bewandelen,+ en zelfs uw voet zal nergens tegen stoten.+ 24  Wanneer maar ook gij u neerlegt, zult gij geen angst gevoelen;+ en gij zult stellig neerliggen, en uw slaap moet aangenaam zijn.+ 25  Gij zult niet bevreesd behoeven te zijn voor enige plotselinge angstaanjaging,+ noch voor het onweer over de goddelozen, omdat het komt.+ 26  Want Jehovah zelf zal inderdaad uw vertrouwen blijken te zijn,*+ en hij zal uw voet stellig behoeden, zodat hij niet gegrepen wordt.+ 27  Onthoud het goede niet aan degenen die het toekomt,*+ wanneer het in de macht van uw hand ligt [het] te doen.+ 28  Zeg niet tot uw naaste: „Ga, en kom terug en morgen zal ik geven”, wanneer er iets bij u is.+ 29  Smeed niets kwaads tegen uw naaste,+ wanneer hij met een gevoel van zekerheid bij u woont.+ 30  Zoek geen ruzie met een mens* zonder reden,+ indien hij u geen kwaad heeft gedaan.+ 31  Word niet afgunstig op de man* van geweld,+ en kies geen enkele van zijn wegen.+ 32  Want de slinkse+ persoon is iets verfoeilijks voor Jehovah,+ maar Zijn vertrouwelijke omgang is met de oprechten.+ 33  De vloek van Jehovah is op het huis van de goddeloze,+ maar de verblijfplaats van de rechtvaardigen zegent hij.+ 34  Indien het om spotters gaat,+ zal hijzelf bespotten;+ maar de zachtmoedigen zal hij gunst betonen.+ 35  Eer* zal de wijzen ten deel vallen,+ maar de verstandelozen verheffen oneer.+

Voetnoten

Lett.: „zullen zij . . . toevoegen.” Het Hebr. ww. is 3de persoon mnl. mv. (niet vr. zoals „wet” en „geboden” in vs. 1) en heeft betrekking op een onbepaald onderwerp.
Of: „Loyale liefde.”
Of: „en waarheid.” Hebr.: we·ʼemethʹ.
„In de ogen van God.” Hebr.: beʽē·nēʹ ʼElo·himʹ.
„En van de aardse mens.” Hebr.: weʼa·dhamʹ.
Of: „drank; drenking.” Vgl. Ps 102:9.
Lett.: „doorbreken.”
„En . . . dan . . . goud.” Hebr.: oe·me·cha·roetsʹ.
„Ze” heeft betrekking op de „wijsheid” in vs. 13.
Of: „eer.”
Of: „woelige wateren.” Hebr.: tehō·mōthʹ. Vgl. Ps 33:7 vtn., „Woelige wateren”; Ps 42:7 vtn., „Waterdiepte”.
Lett.: „zal in uw vertrouwen blijken te zijn”, M; LXX: „zal op al uw wegen zijn.”
Lett.: „aan zijn bezitters.” Hebr.: mib·beʽa·lavʹ, mv. van baʹʽal.
Of: „een aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
„Op de man van.” Hebr.: beʼisjʹ.
Of: „Heerlijkheid.”