Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Spreuken 28:1-28

28  De goddelozen vluchten werkelijk al wanneer er geen vervolger is,+ maar de rechtvaardigen zijn als een jonge leeuw die vol vertrouwen is.+  Wegens de overtreding van een land zijn zijn [opeenvolgende] vorsten vele,+ maar door een mens met onderscheidingsvermogen,* die kennis heeft van het recht, zal [de vorst*] lang blijven.+  Een fysiek sterke man die over weinig middelen beschikt en die de geringen te kort doet,+ is als een wegspoelende regen, zodat er geen voedsel is.  Zij die de wet verlaten, roemen de goddeloze,+ maar zij die de wet onderhouden, winden zich tegen hen op.+  Mannen die zich aan slechtheid overgeven, kunnen het recht niet begrijpen, maar zij die Jehovah zoeken, kunnen alles begrijpen.+  Beter is de onbemiddelde die in zijn rechtschapenheid wandelt, dan al wie krom is in [zijn] wegen, ook al is hij rijk.+  Een verstandige zoon neemt de wet in acht,+ maar wie omgang heeft met veelvraten, maakt zijn vader te schande.+  Hij die zijn waardevolle dingen vermeerdert door rente+ en woeker, brengt ze louter bijeen voor wie gunst betoont aan de geringen.+  Hij die zijn oor afwendt van het horen der wet+ — zelfs zijn gebed is iets verfoeilijks.+ 10  Hij die de oprechten doet afdwalen+ naar de slechte weg, zal zelf in zijn eigen kuil vallen,+ maar de onberispelijken, die zullen in het bezit van het goede komen.+ 11  Een rijk man is wijs in zijn eigen ogen,+ maar de geringe die onderscheidingsvermogen heeft, doorzoekt hem.+ 12  Wanneer de rechtvaardigen uitbundige vreugde hebben,+ is er overvloedige schoonheid; maar wanneer de goddelozen opkomen, vermomt een mens zich.+ 13  Wie zijn overtredingen bedekt, zal geen succes hebben,+ maar wie [ze] belijdt en laat, zal barmhartigheid worden betoond.+ 14  Gelukkig is de mens die voortdurend angst gevoelt,+ maar hij die zijn hart verhardt, zal in rampspoed vallen.+ 15  Als een grommende leeuw en een aanstormende beer is een goddeloze heerser over een gering volk.+ 16  Een leider die het aan waarachtig onderscheidingsvermogen ontbreekt, is ook overvloedig in bedrieglijke praktijken,+ maar hij die onrechtvaardige winst haat,+ zal [zijn] dagen verlengen. 17  Een mens beladen met de bloedschuld wegens een ziel, zal zelf vluchten, ja, naar de kuil.+ Laten zij hem niet vastgrijpen. 18  Hij die onberispelijk wandelt, zal gered worden,+ maar hij die krom is gemaakt in [zijn] wegen, zal opeens vallen.+ 19  Hij die zijn eigen land bebouwt, zal zijn genoegen aan brood hebben,+ en hij die dingen najaagt welke niets waard zijn, zal zijn genoegen aan armoede hebben.+ 20  Een man van getrouwe daden* zal vele zegeningen verkrijgen,+ maar hij die zich haast om rijkdom te verwerven, zal niet onschuldig blijven.+ 21  Het betonen van partijdigheid* is niet goed;+ evenmin dat een fysiek sterke man louter om een stuk brood een overtreding zou begaan. 22  Een man met een afgunstig oog jaagt naar waardevolle dingen,+ maar hij weet niet dat het gebrek zelf hem overkomen zal. 23  Hij die een mens terechtwijst,+ zal later meer gunst vinden dan hij die met zijn tong vleit.* 24  Hij die zijn vader en zijn moeder berooft+ en zegt: „Het is geen overtreding”,+ is een metgezel van een man die verderf sticht. 25  Hij die arrogant van ziel is, verwekt twist,+ maar hij die zich op Jehovah verlaat, zal vet gemaakt worden.+ 26  Hij die op zijn eigen hart vertrouwt, is verstandeloos,+ maar hij die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.+ 27  Hij die aan de onbemiddelde geeft, zal geen gebrek hebben,+ maar hij die zijn ogen verbergt, zal vele vervloekingen krijgen.+ 28  Wanneer de goddelozen opkomen, verbergt een mens* zich;+ maar wanneer zij omkomen, worden de rechtvaardigen vele.+

Voetnoten

Of: „maar door een aardse mens met onderscheidingsvermogen.” Hebr.: oe·veʼa·dhamʹ me·vinʹ.
Lett.: „hij.”
„Een man van getrouwe daden.” Hebr.: ʼisj ʼemoe·nōthʹ.
Lett.: „Gezichten kennen (aanzien; onderscheiden).”
Lett.: „die een tong glad maakt.” Of: „die een gladde tong gebruikt.”
Lett.: „een aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.