Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Spreuken 20:1-30

20  Wijn is een spotter,+ bedwelmende drank is onstuimig,+ en iedereen die daardoor afdwaalt, is niet wijs.+  De verschrikking van een koning is een gegrom als van een jonge leeuw met manen.+ Al wie zijn verbolgenheid tegen zich richt, zondigt tegen zijn eigen ziel.+  Het strekt een man tot heerlijkheid van geredetwist af te laten,+ maar iedere dwaas zal [erin] losbarsten.+  Wegens de winter zal de luiaard niet ploegen;+ hij zal bedelen in de oogsttijd, maar er zal niets zijn.+  Raad in het hart van een man is als diepe wateren,+ maar de man van onderscheidingsvermogen, die zal hem naar boven halen.+  Van een groot aantal mensen* zal elk zijn eigen liefderijke goedheid* verkondigen,+ maar een getrouw man,* wie kan hem vinden?+  De rechtvaardige wandelt in zijn rechtschapenheid.+ Gelukkig zijn zijn zonen na hem.+  De koning is op de troon van het gericht* gezeten,+ alle kwaad met zijn eigen ogen verstrooiend.+  Wie kan zeggen: „Ik heb mijn hart gereinigd;+ ik ben zuiver geworden van mijn zonde”?+ 10  Tweeërlei gewichten en tweeërlei efa-maten+ — ze zijn allebei iets verfoeilijks voor Jehovah.+ 11  Zelfs door zijn handelingen laat een knaap zich kennen, of zijn activiteit zuiver en oprecht is.+ 12  Het horende oor en het ziende oog — het is Jehovah die ze béíde heeft gemaakt.+ 13  Heb de slaap niet lief, opdat gij niet tot armoede vervalt.+ Open uw ogen; word verzadigd met brood.+ 14  „Het is slecht, slecht!”, zegt de koper, en hij gaat zijns weegs.+ Het is dan pas dat hij pocht met betrekking tot zichzelf.+ 15  Er bestaat goud, ook een overvloed van koralen; maar de lippen der kennis zijn kostbare vaten.+ 16  Neem iemands kleed, ingeval hij borg geworden is voor een vreemde;+ en in het geval van een buitenlandse vrouw: neem van hem een pand.+ 17  Brood [verworven door] leugen is aangenaam voor een man,+ maar later zal zijn mond met kiezel worden gevuld.+ 18  Door raad worden de plannen zelf stevig bevestigd,+ en voer met bekwaam beleid uw oorlog.+ 19  Hij die als een lasteraar rondgaat, legt vertrouwelijke gesprekken bloot;+ en met iemand die zich door zijn lippen laat verlokken,* moogt gij geen omgang hebben.+ 20  Al wie kwaad over zijn vader en zijn moeder afsmeekt,+ diens lamp zal uitgeblust worden bij het aanbreken van de duisternis.+ 21  Een erfenis wordt aanvankelijk door hebzucht verkregen,*+ maar de toekomst daarvan, die zal niet gezegend worden.+ 22  Zeg niet: „Ik wil kwaad vergelden!”+ Hoop op Jehovah,+ en hij zal u redden.+ 23  Tweeërlei gewichten zijn iets verfoeilijks voor Jehovah,+ en een bedrieglijke weegschaal is niet goed.+ 24  Van Jehovah zijn de schreden van een fysiek sterke man.+ Wat de aardse mens betreft, hoe kan hij zijn weg onderscheiden?+ 25  Het is een strik wanneer de aardse mens overijld „Heilig!” heeft geroepen+ en na geloften+ [geneigd is] onderzoek te doen.+ 26  Een wijze koning verstrooit goddelozen,+ en hij wentelt een rad* over hen heen.+ 27  De adem*+ van de aardse mens is de lamp van Jehovah, die zorgvuldig alle binnenste delen van de buik doorzoekt.+ 28  Liefderijke goedheid en waarachtigheid* — ze beveiligen de koning;+ en door liefderijke goedheid heeft hij zijn troon geschraagd.+ 29  De luister der jongelingen is hun kracht,+ en de pracht der ouden is hun grijsheid.+ 30  Kneuswonden zijn het die het kwaad wegschuren;+ en slagen de binnenste delen van de buik.+

Voetnoten

„Een groot aantal mensen.” Hebr.: rov-ʼa·dhamʹ.
Of: „loyale liefde.”
Lett.: „maar een man van getrouwheden.” Hebr.: weʼisjʹ ʼemoe·nimʹ.
„Het gericht.” Hebr.: dhin; Lat.: iu·diʹci·i.
„Die [zijn lippen] openspert (wijd opent)”, door een andere afleiding.
„Door hebzucht verkregen”, M; TSyVg: „haastig verkregen.”
„Een rad”, M; door een geringe correctie: „hun eigen schadelijkheid.”
„De adem van.” Hebr.: nisj·mathʹ, zoals in Ge 2:7.
Of: „en waarheid.” Hebr.: we·ʼemethʹ.