Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Spreuken 2:1-22

2  Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt+ en míȷ́n geboden als een schat bij u weglegt,+  om met uw oor aandacht te schenken aan wijsheid,+ opdat gij uw hart neigt tot onderscheidingsvermogen;+  indien gij bovendien om het verstand zelf roept+ en om het onderscheidingsvermogen zelf uw stem verheft,+  indien gij ernaar blijft zoeken als naar zilver,+ en gij er als naar verborgen schatten naar blijft speuren,+  in dat geval zult gij de vrees voor Jehovah begrijpen,+ en de kennis van God* zult gij vinden.+  Want Jehovah zelf geeft wijsheid;+ uit zijn mond zijn kennis en onderscheidingsvermogen afkomstig.+  En voor de oprechten zal hij praktische wijsheid+ als een schat wegleggen; voor hen die in rechtschapenheid wandelen, is hij een schild,+  door aan de paden van het recht vast te houden,+ en hij zal zelfs de weg van zijn loyalen* behoeden.+  In dat geval zult gij rechtvaardigheid en recht en oprechtheid begrijpen, de gehele baan van wat goed is.+ 10  Wanneer wijsheid haar intrede doet in uw hart+ en de kennis zelf aangenaam wordt voor uw zíél,+ 11  zal het denkvermogen zelf de wacht over u houden,+ het onderscheidingsvermogen zelf zal u beveiligen,+ 12  om u te bevrijden van de slechte weg,+ van de man die verkeerde dingen spreekt,+ 13  van hen die de paden der oprechtheid verlaten om de wegen der duisternis te bewandelen,+ 14  van hen die zich verheugen in kwaaddoen,+ die blij zijn over de verkeerdheden van slechtheid,+ 15  wier paden krom zijn en die slinks zijn in hun gangen;+ 16  om u te bevrijden van de vreemde vrouw, van de buitenlandse vrouw+ die haar eigen woorden glad heeft gemaakt,+ 17  die de vertrouwde vriend van haar jeugd+ verlaat en die zelfs het verbond van haar God heeft vergeten.+ 18  Want waarlijk, naar de dood zinkt haar huis weg en naar hen die machteloos zijn in de dood,* haar sporen.+ 19  Geen van hen die betrekkingen met haar hebben, zullen terugkeren, noch zullen zij de paden der levenden weer bereiken.+ 20  Het doel is, dat gij de weg der goeden moogt bewandelen+ en dat gij de paden van de rechtvaardigen moogt houden.+ 21  Want de oprechten zijn het die op de aarde zullen verblijven,+ en de onberispelijken zijn het die erop zullen overblijven.+ 22  Wat de goddelozen betreft, zij zullen van de aarde zelf worden afgesneden;+ en wat de verraderlijken betreft, zij zullen ervan worden weggerukt.+

Voetnoten

„God.” Hebr.: ʼElo·him′.
Of: „zijn mensen van liefderijke goedheid”, Mmarge (TLXXSyVg komen hiermee overeen); M: „zijn mens van liefderijke goedheid.”
„Hen die machteloos zijn in de dood.” Hebr.: refa·ʼim′; T(Aram.): gib·bo·rai′ia, „de reuzen”; LXX: „Hades [Gr.: hai′dei] met (bij) de uit de aarde geborenen (stervelingen)”; Vgc(Lat.): in′fe·ros.