Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Spreuken 19:1-29

19  Een onbemiddelde die in zijn rechtschapenheid wandelt, is beter+ dan degene die verkeerd van lippen* is, en degene die verstandeloos is.+  Ook dat de ziel zonder kennis zou zijn, is niet goed,+ en hij die zich met zijn voeten haast, zondigt.*+  De dwaasheid van de aardse mens is het die zijn weg verdraait,+ en zo wordt zijn hart woedend op Jehovah zelf.+  Vermogen voegt vele metgezellen toe,+ maar wie gering is, wordt zelfs van zijn metgezel gescheiden.+  Een valse getuige zal niet ongestraft blijven,+ en hij die leugens opdist, zal niet ontkomen.+  Velen zijn het die het aangezicht van een edele vermurwen,+ en iedereen is een metgezel van de man die geschenken geeft.+  De broeders van een onbemiddelde hebben hem allen gehaat.+ Hoeveel te meer hebben zijn persoonlijke vrienden zich verre van hem vandaan gehouden!+ Hij achtervolgt [hen] met dingen die hij zeggen wil; zij zijn er niet.+  Hij die hart verwerft,*+ heeft zijn eigen ziel lief. Hij die onderscheidingsvermogen behoedt, zal het goede vinden.+  De valse getuige zal niet ongestraft blijven,+ en hij die leugens opdist, zal vergaan.+ 10  Weelde is voor geen enkele verstandeloze passend.+ Hoeveel te minder [past het] een knecht, te heersen over vorsten!+ 11  Het inzicht van een mens* vertraagt stellig zijn toorn,+ en het is luister van zijn kant, de overtreding voorbij te gaan.+ 12  De woede van een koning is een gegrom als van een jonge leeuw met manen,+ maar zijn goede wil is als de dauw op de plantengroei.+ 13  Een verstandeloze zoon betekent onheilen voor zijn vader,+ en de twisten van een vrouw zijn als een lekkend dak waardoor men wordt verdreven.+ 14  Het erfdeel der vaderen is een huis en vermogen,+ maar een beleidvolle vrouw is van Jehovah.+ 15  Luiheid doet in diepe slaap vallen,+ en een lakse ziel lijdt honger.+ 16  Hij die het gebod onderhoudt, behoudt zijn ziel;+ hij die zijn wegen veracht, zal ter dood gebracht worden.+ 17  Hij die gunst betoont aan de geringe, leent aan Jehovah,+ en zijn bejegening zal Hij hem vergelden.+ 18  Tuchtig uw zoon terwijl er nog hoop bestaat;+ en hef uw ziel[sbegeerte] er niet naar op hem ter dood te brengen.+ 19  Hij die iemand van grote woede is, zal de boete moeten dragen;+ want indien gij [hem] zoudt bevrijden, zult gij dit ook keer op keer blijven doen.+ 20  Luister naar raad en aanvaard streng onderricht,+ opdat gij in uw toekomst wijs moogt worden.+ 21  Vele zijn de plannen in het hart van een man,*+ maar het is de raad van Jehovah die zal bestaan.+ 22  Het begeerlijke in de aardse mens* is zijn liefderijke goedheid;+ en een onbemiddelde is beter dan een leugenachtig man.+ 23  De vrees voor Jehovah leidt ten leven,+ en verzadigd zal men de nacht doorbrengen;+ men zal niet met kwaad bezocht worden.+ 24  De luiaard heeft zijn hand in de feestschaal verborgen;+ hij kan haar zelfs niet naar zijn eigen mond terugbrengen.+ 25  De spotter dient gij te slaan,+ opdat de onervarene schrander moge worden;+ en de verstandige dient terechtgewezen te worden, opdat hij kennis moge onderscheiden.+ 26  Hij die een vader slecht behandelt [en] die een moeder wegjaagt,+ is een zoon die schandelijk en smadelijk handelt.+ 27  Houd op, mijn zoon, naar streng onderricht te luisteren [en het zal betekenen] van de woorden van kennis af te dwalen.+ 28  Een nietswaardige getuige* bespot gerechtigheid,+ en het is de mond der goddelozen die verzwelgt wat schadelijk is.+ 29  Strafgerichten zijn stevig bevestigd voor spotters,+ en slagen voor de rug der verstandelozen.+

Voetnoten

„Lippen”, MVg; TSy en ca. 50 Hebr. hss.: „wegen.”
Of: „mist het doel.” Zie Ro 3:23.
Of: „Hij die een goede beweegreden verwerft.” Hebr.: qo·neh-levʹ.
Of: „Het inzicht van een aardse mens.” Hebr.: seʹkhel ʼa·dhamʹ.
„In het hart van een man.” Hebr.: belev-ʼisjʹ.
„Het begeerlijke in de aardse mens.” Hebr.: ta·ʼawathʹ ʼa·dhamʹ.
Lett.: „Een belialsgetuige.” Hebr.: ʽedh beli·jaʹʽal.