Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Spreuken 15:1-33

15  Een zacht antwoord keert woede af,+ maar een woord dat smart veroorzaakt, doet toorn opkomen.+  De tong der wijzen doet goed met kennis,+ maar de mond van de verstandelozen doet dwaasheid opborrelen.+  De ogen van Jehovah zijn op elke plaats,+ terwijl ze de slechten en de goeden gadeslaan.+  De kalmte van de tong is een boom des levens,+ maar verdraaiing daarin betekent verbreking des geestes.+  Al wie dwaas is, minacht het strenge onderricht van zijn vader,+ maar al wie terechtwijzing in acht neemt, is schrander.+  In het huis* van de rechtvaardige is een overvloedige voorraad,+ maar de opbrengst van de goddeloze brengt de banvloek.+  De lippen van de wijzen blijven kennis uitstrooien,+ maar het hart van de verstandelozen is niet zo.+  Het slachtoffer van de goddelozen is iets verfoeilijks voor Jehovah,+ maar het gebed van de oprechten is hem welgevallig.+  De weg van de goddeloze is iets verfoeilijks voor Jehovah,+ maar wie rechtvaardigheid najaagt, heeft hij lief.+ 10  Streng onderricht is slecht voor wie het pad verlaat;+ iedereen die terechtwijzing haat, zal sterven.+ 11  Sjeo̱o̱l en [de plaats van de] vernietiging*+ zijn voor het aangezicht van Jehovah.+ Hoeveel te meer de harten van de mensenzonen!*+ 12  De spotter houdt niet van wie hem terechtwijst.+ Tot de wijzen zal hij niet gaan.+ 13  Een blij hart heeft een goede uitwerking op het gelaat,+ maar wegens de smart van het hart is er een terneergeslagen geest.+ 14  Het is het verstandige hart dat naar kennis vorst,+ maar de mond der verstandelozen is op dwaasheid uit.+ 15  Al de dagen van de ellendige zijn slecht;+ maar wie vrolijk van hart* is, [heeft] voortdurend een feestmaal.+ 16  Beter is een weinig in de vrees voor Jehovah,+ dan een overvloedige voorraad en verwarring daarbij.+ 17  Beter is een schotel groente waar liefde is,+ dan een aan de kribbe gemeste stier en haat daarbij.+ 18  Een woedend man verwekt twist,+ maar wie langzaam tot toorn is, brengt ruzie tot bedaren.+ 19  De weg van de luiaard is als een stekelhaag,+ maar het pad van de oprechten is een opgehoogde weg.+ 20  Een wijze zoon is hij die een vader verheugt,+ maar een verstandeloos mens veracht zijn moeder.+ 21  Dwaasheid is een verheuging voor wie het aan hart ontbreekt,*+ maar de man van onderscheidingsvermogen is iemand die recht vooruit gaat.+ 22  Plannen zijn tot mislukking gedoemd waar geen vertrouwelijk gesprek is,+ maar in de veelheid van raadgevers komt iets tot stand.+ 23  Een man heeft verheuging in het antwoord van zijn mond,+ en een woord te rechter tijd — o hoe goed is het!+ 24  Het levenspad gaat opwaarts voor wie met inzicht handelt,+ ten einde zich af te keren van Sjeo̱o̱l beneden.+ 25  Het huis van wie zich verheffen zal Jehovah neerhalen,+ maar hij zal de grens van de weduwe vaststellen.+ 26  De snode plannen van de slechtaard zijn iets verfoeilijks voor Jehovah,+ maar aangename woorden zijn rein.+ 27  Wie onrechtvaardige winst maakt, brengt de banvloek over zijn eigen huis,+ maar wie geschenken haat, die zal blijven leven.+ 28  Het hart van de rechtvaardige mediteert* om te antwoorden,+ maar de mond van de goddelozen doet slechte dingen opborrelen.+ 29  Jehovah is ver van de goddelozen,+ maar het gebed van de rechtvaardigen hoort hij.+ 30  De glans der ogen+ verheugt het hart;+ een bericht+ dat goed is, maakt de beenderen vet.+ 31  Het oor dat luistert naar de terechtwijzing+ des levens, verwijlt midden onder wijzen.+ 32  Al wie streng onderricht schuwt,+ verwerpt zijn eigen ziel, maar wie naar terechtwijzing luistert, verwerft hart.*+ 33  De vrees voor Jehovah is streng onderricht tot wijsheid,+ en aan heerlijkheid gaat ootmoed vooraf.+

Voetnoten

„In het huis (de huizen)”, TLXXSy; MVg: „Het huis.”
„En [de plaats van de] vernietiging.” Hebr.: wa·ʼavad·dōnʹ, „Abaddon”. Zie Job 26:6 vtn.
Of: „zonen van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dhamʹ].”
„Maar . . . vrolijk (goed) van hart.” Hebr.: wetōv-levʹ.
Of: „voor wie het aan goede beweegreden ontbreekt.” Hebr.: la·chasar-levʹ.
Of: „bedenkt murmelend.”
Of: „verwerft een goede beweegreden.” Hebr.: qōʹneh lev.