Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ruth 2:1-23

2  Nao̱mi nu had een verwant*+ van haar mans kant, een zeer vermogend man,+ uit de familie van Elime̱lech, en zijn naam was Bo̱az.*+  Na verloop van tijd zei Ruth, de Moabitische, tot Nao̱mi: „Laat mij alstublieft naar het veld gaan en tussen de [schoven] aren lezen,+ achter wie dan ook aan in wiens ogen ik gunst moge vinden.” Zij dan zei tot haar: „Ga, mijn dochter.”  Daarop ging zij heen en kwam op het veld en ging achter de oogsters aan [aren] lezen.+ Zo kwam zij bij toeval op het stuk veld terecht dat aan Bo̱az behoorde,+ die uit de familie van Elime̱lech+ was.  En zie! Bo̱az kwam uit Be̱thlehem, en hij zei vervolgens tot de oogsters: „Jehovah zij met U.”+ Op hun beurt zeiden zij dan altijd tot hem: „Jehovah zegene u.”+  Naderhand zei Bo̱az+ tot de jonge man die over de oogsters gesteld was: „Aan wie behoort deze jonge vrouw?”  De jonge man dan die over de oogsters gesteld was, antwoordde en zei: „De jonge vrouw is een Moabitische,+ die met Nao̱mi uit het veld van Mo̱ab is teruggekomen.+  Toen zei zij: ’Laat mij alstublieft [aren] lezen,+ en ik zal stellig [aren] verzamelen tussen de afgesneden aren, achter de oogsters aan.’ Zo kwam zij en is van dat moment in de morgen af tot nu zij net een poosje in het huis zit, op de been gebleven.”+  Later zei Bo̱az tot Ruth: „Gij hebt [het] gehoord, niet waar, mijn dochter? Ga niet weg om op een ander veld [aren] te lezen,+ en gij moet ook niet van deze plaats oversteken, en aldus dient gij dicht bij mijn jonge vrouwen te blijven.+  Laten uw ogen op het veld zijn dat zij zullen oogsten, en gij moet met hen meegaan. Heb ik de jonge mannen niet geboden u niet aan te raken?+ Als gij dorst hebt, dan moet gij naar de vaten gaan en drinken van wat de jonge mannen zullen putten.”+ 10  Toen viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde+ en zei tot hem: „Hoe komt het dat ik gunst in uw ogen heb gevonden, zodat er notitie van mij wordt genomen, terwijl ik toch een buitenlandse ben?”+ 11  Hierop antwoordde Bo̱az en zei tot haar: „Mij is uitvoerig verslag+ uitgebracht van alles wat gij na de dood van uw man voor uw schoonmoeder hebt gedaan,+ en hoe gij voorts uw vader en uw moeder en het land van uw bloedverwanten hebt verlaten en naar een volk zijt gegaan dat gij voordien niet hadt gekend.+ 12  Moge Jehovah uw handelwijze belonen,+ en moogt gij een volmaakt loon+ krijgen van Jehovah, de God van I̱sraël, onder wiens vleugels gij toevlucht zijt komen zoeken.”+ 13  Daarop zei zij: „Laat mij gunst in uw ogen vinden, mijn heer, omdat gij mij hebt vertroost en omdat gij uw dienstmaagd geruststellend hebt toegesproken,*+ ofschoon ikzelf niet eens met een van uw dienstmaagden gelijkgesteld kan worden.”+ 14  Tegen etenstijd zei Bo̱az voorts tot haar: „Treed naderbij, hierheen, en gij moet wat van het brood eten+ en uw stuk in de azijn dopen.” Zij ging dus naast de oogsters zitten, en hij reikte haar telkens geroosterd koren+ toe en zij at, zodat zij verzadigd werd en toch nog iets over had. 15  Toen stond zij op om [aren] te lezen.+ Bo̱az gebood nu zijn jonge mannen en zei: „Laat haar ook [aren] lezen tussen de afgesneden aren, en GIJ moogt haar niet lastig vallen.+ 16  En GIJ dient ook vooral enkele [halmen] voor haar uit de arenbundels te trekken, en GIJ moet ze laten liggen, opdat zij ze kan oplezen,+ en GIJ moogt haar niet bestraffen.” 17  En zij bleef tot de avond [aren] lezen op het veld,+ waarna zij uitklopte+ wat zij opgelezen had, en het bleek ongeveer een efa*+ gerst te zijn. 18  Toen nam zij het op en ging de stad binnen, en haar schoonmoeder kreeg te zien* wat zij opgelezen had. Daarna haalde zij het voedsel te voorschijn dat zij, na zichzelf verzadigd te hebben, had overgehouden+ en gaf het haar. 19  Haar schoonmoeder zei nu tot haar: „Waar hebt gij vandaag [aren] gelezen, en waar hebt gij gewerkt? Moge degene die notitie van u heeft genomen, gezegend worden.”+ Zij vertelde haar schoonmoeder dus bij wie zij had gewerkt; en zij vervolgde: „De naam van de man bij wie ik vandaag heb gewerkt, is Bo̱az.” 20  Daarop zei Nao̱mi tot haar schoondochter: „Gezegend zij hij door Jehovah,+ die zijn liefderijke goedheid+ jegens de levenden en de doden niet achterwege heeft gelaten.”+ En Nao̱mi zei verder tot haar: „De man is aan ons verwant.+ Hij is een van onze lossers.”*+ 21  Toen zei Ruth, de Moabitische: „Hij heeft ook tot mij gezegd: ’Dicht bij de jonge mensen die van mij zijn, dient gij te blijven, totdat zij met de hele oogst die ik heb, gereed zijn.’”+ 22  Nao̱mi+ zei dus tot Ruth, haar schoondochter:+ „Het is beter, mijn dochter, dat gij met zijn jonge vrouwen naar buiten gaat, opdat men u niet op een ander veld hindert.”+ 23  Zo bleef zij voortdurend dicht bij de jonge vrouwen van Bo̱az om [aren] te lezen, totdat de gerstoogst+ en de tarweoogst ten einde waren. En zij bleef bij haar schoonmoeder wonen.+

Voetnoten

Of: „een kennis.”
Betekent mogelijk: „In sterkte.”
Lett.: „tot het hart van . . . hebt gesproken.”
Ca. 22 l.
„En haar schoonmoeder kreeg te zien”, MLXX; SyVg: „en toonde haar schoonmoeder.”
Of: „een van onze verwanten met het recht te lossen (los te kopen).” Hebr.: mig·go·ʼaleʹnoe, enk.; mv. in verscheidene Hebr. hss.