Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Romeinen 6:1-23

6  Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij voortgaan in zonde, opdat de onverdiende goedheid overvloedig moge zijn?+  Moge dat nooit geschieden! Hoe zullen wij, daar wij met betrekking tot de zonde zijn gestorven,+ daarin nog langer blijven leven?+  Of weet GIJ niet dat wij allen die in Christus Jezus* werden gedoopt,+ in zijn dood werden gedoopt?+  Daarom werden wij met hem begraven+ door middel van onze doop in zijn dood, opdat ook wij, evenals Christus door middel van de heerlijkheid van de Vader uit de doden werd opgewekt,+ evenzo in een nieuwheid des levens zouden wandelen.+  Want indien wij één met hem zijn geworden* in de gelijkheid van zijn dood,+ zullen wij stellig ook [één met hem] zijn [in de gelijkheid] van zijn opstanding;+  want wij weten dat onze oude persoonlijkheid* met [hem] aan de paal werd gehangen,+ opdat ons zondig lichaam* inactief gemaakt zou worden,+ zodat wij niet langer slaven van de zonde zouden blijven.+  Want wie gestorven is, is van [zijn] zonde vrijgesproken.*+  Indien wij bovendien met Christus zijn gestorven, geloven wij dat wij ook met hem zullen leven.+  Want wij weten dat Christus, nu hij uit de doden is opgewekt,+ niet meer sterft;+ de dood is geen meester meer over hem. 10  Want [de dood] die hij is gestorven, is hij met betrekking tot de zonde eens voor altijd gestorven;+ maar [het leven] dat hij leeft, leeft hij met betrekking tot God.+ 11  Zo ook gijlieden: beschouwt UZELF werkelijk als dood+ met betrekking tot de zonde, maar als levend+ met betrekking tot God door Christus Jezus. 12  Laat daarom de zonde niet langer als koning in UW sterfelijke lichaam regeren,+ zodat GIJ de begeerten daarvan zoudt gehoorzamen.+ 13  Biedt ook UW leden niet langer als wapenen van onrechtvaardigheid+ aan de zonde aan,+ maar biedt UZELF aan God aan als mensen die uit de doden levend+ zijn geworden, en [biedt] UW leden aan God [aan] als wapenen+ van rechtvaardigheid. 14  Want de zonde mag* geen meester over U zijn, omdat GIJ niet onder de wet staat,+ maar onder de onverdiende goedheid.+ 15  Wat volgt daaruit? Zullen wij een zonde begaan omdat wij niet onder de wet,+ maar onder de onverdiende goedheid+ staan? Moge dat nooit geschieden! 16  Weet GIJ niet dat wanneer GIJ U als slaven aan iemand blijft aanbieden om hem te gehoorzamen, GIJ slaven van hem zijt omdat GIJ hem gehoorzaamt,+ hetzij van de zonde+ met de dood in het vooruitzicht+ of van de gehoorzaamheid+ met rechtvaardigheid+ in het vooruitzicht? 17  Maar God zij gedankt dat GIJ slaven van de zonde waart, doch van harte gehoorzaam zijt geworden aan die vorm van leer waaraan GIJ werdt overgeleverd.+ 18  Ja, daar GIJ vrijgemaakt+ werdt van de zonde, zijt GIJ slaven+ van de rechtvaardigheid+ geworden. 19  Ik spreek in menselijke bewoordingen om de zwakheid van UW vlees;+ want evenals GIJ UW leden+ als slaven hebt aangeboden aan onreinheid+ en wetteloosheid met wetteloosheid in het vooruitzicht,* zo moet GIJ UW leden nu als slaven aan de rechtvaardigheid aanbieden met heiligheid in het vooruitzicht.+ 20  Want toen GIJ slaven waart van de zonde,+ stondt GIJ vrij ten opzichte van de rechtvaardigheid. 21  Wat voor vrucht+ hadt GIJ toen wel? Dingen*+ waarover GIJ U nu schaamt. Want het einde* van die dingen is de dood.+ 22  Nu hebt GIJ echter, omdat GIJ vrijgemaakt werdt van de zonde, maar slaven van God zijt geworden,+ heiligheid tot vrucht,+ en als eindresultaat eeuwig leven.+ 23  Want het loon* dat de zonde betaalt, is de dood,+ maar de gave*+ die God schenkt, is eeuwig leven+ door Christus Jezus, onze Heer.+

Voetnoten

„Jezus.” B laat het weg.
Of: „met hem zijn samengegroeid (vergroeid).”
Lett.: „mens.”
Of: „ons lichaam dat de zonde toebehoort.”
Lett.: „is . . . gerechtvaardigd.” Gr.: de·di·kai·oʹtai.
Of: „zal.”
„Met wetteloosheid in het vooruitzicht.” B laat het weg.
Of: „hadt gij toen wel van de dingen.”
Of: „definitieve einde.” Gr.: teʹlos.
„Loon.” Lat.: sti·penʹdi·a.
Lett.: „genadegave; goedgunstige gave.” Gr.: cha·riʹsma; Lat.: graʹti·a.