Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 97:1-12

97  Jehovah* zelf is koning geworden!+ Laat de aarde blij zijn.+Laten de vele eilanden* zich verheugen.+   Wolken en dikke donkerheid zijn rondom hem;+Rechtvaardigheid en recht zijn de vaste plaats van zijn troon.+   Een vuur gaat voor hem uit,+En het verteert zijn tegenstanders rondom.+   Zijn bliksemstralen verlichtten het productieve land;+De aarde zag het en kromp toen van pijn ineen.+   Zelfs de bergen smolten nu net als was vanwege Jehovah,*+Vanwege de Heer* van heel de aarde.+   De hemelen hebben zijn rechtvaardigheid verkondigd,+En alle volken hebben zijn heerlijkheid gezien.+   Laten allen die enig gesneden beeld dienen,* beschaamd worden,+Zij die zich op goden beroemen die niets waard zijn.*+Buigt U voor hem neer, al GIJ goden.*+   Si̱on hoorde het en ging zich verheugen,+En de onderhorige plaatsen* van Ju̱da werden blij+Vanwege uw rechterlijke beslissingen, o Jehovah.+   Want gij, o Jehovah,* zijt de Allerhoogste over heel de aarde;+Gij zijt zeer hoog verheven boven alle [andere] goden.*+ 10  O GIJ die Jehovah* liefhebt,+ haat het kwade.+Hij behoedt de ziel van zijn loyalen;+Uit de hand van de goddelozen bevrijdt hij hen.+ 11  Licht is er opgegaan* voor de rechtvaardige,+En verheuging zelfs voor de oprechten van hart.+ 12  Verheugt U in Jehovah,*GIJ rechtvaardigen,+En brengt dank aan zijn heilige gedachtenis.*+

Voetnoten

Zie App. 1C (8).
Of: „kustlanden.”
Zie App. 1C (8).
„Heer van.” Hebr.: ʼAdhōnʹ.
Of: „die . . . aanbidden.” Hebr.: ʽo·vedhēʹ.
„Op goden . . . die niets waard zijn.” Of: „op waardeloze goden.” Hebr.: ba·ʼeli·limʹ; LXX: „op hun afgoden”; Vg: „op hun afgodsbeelden (afbeeldingen).”
„Goden.” Hebr.: ʼelo·himʹ; LXXSyVg: „zijn engelen.”
Lett.: „de dochters.”
Zie App. 1C (8).
„Goden.” Hebr.: ʼelo·himʹ.
Zie App. 1C (8).
„Is . . . opgegaan”, TLXXSyVg en één Hebr. hs.; M: „is . . . gezaaid.” Vgl. 112:4 vtn.
Zie App. 1C (8).
Of: „ter gedachtenis van zijn heiligheid.”