Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 96:1-13

96*  Zingt Jehovah een nieuw lied.+ Zingt Jehovah toe, [GIJ mensen van] heel de aarde.*+   Zingt Jehovah toe, zegent zijn naam.+ Vertelt van dag tot dag het goede nieuws van de redding door hem.+   Maakt onder de natiën zijn heerlijkheid bekend,+ Onder alle volken zijn wonderwerken.+   Want Jehovah is groot+ en zeer te loven. Hij is vrees inboezemend boven alle [andere] goden.+   Want alle goden* van de volken zijn goden die niets waard zijn;*+ Maar wat Jehovah betreft, hij heeft zelfs de hemel gemaakt.+   Waardigheid en pracht zijn voor zijn aangezicht;+ Sterkte en luister zijn in zijn heiligdom.+   Schrijft aan Jehovah,*GIJ families der volken,+ Schrijft aan Jehovah* heerlijkheid en sterkte toe.*+   Schrijft aan Jehovah* de heerlijkheid toe die zijn naam toekomt;+ Draagt een geschenk aan en komt in zijn voorhoven.+   Buigt U neer voor Jehovah* in heilige feestdos;*+ Krimpt wegens hem van pijn ineen, [GIJ mensen van] heel de aarde.*+ 10  Zegt onder de natiën: „Jehovah* zelf is koning geworden.+ Ook wordt het productieve land* stevig bevestigd, zodat het niet aan het wankelen kan worden gebracht.+ Hij zal de zaak van de volken bepleiten naar recht.”+ 11  Laten de hemelen zich verheugen, en laat de aarde blij zijn.*+ Laat de zee bulderen en dat wat haar vult.+ 12  Laat het open veld uitbundige vreugde hebben en alles wat daarop is.+ Laten terzelfder tijd alle bomen van het woud losbreken in vreugdegeroep+ 13  Voor het aangezicht van Jehovah.* Want hij is gekomen;+ Want hij is gekomen om de aarde te oordelen.+ Hij zal het productieve land* oordelen met rechtvaardigheid+ En de volken met zijn getrouwheid.+

Voetnoten

LXX heeft het opschrift: „Toen het huis gebouwd werd na de gevangenschap: een lied van David”; Vg komt hiermee overeen.
„[Gij mensen van] heel de aarde.” „Gij mensen van” is toegevoegd in overeenstemming met de Hebr. ww.-vorm voor „zingt”, die mnl. mv. is. Zie 33:8 en 66:1 vtnn., „Aarde”.
„Goden van.” Hebr.: ʼelo·hē′; Gr.: the′oi; Lat.: di′i.
Of: „waardeloze goden.” Hebr.: ʼeli·lim′; LXXVg: „demonen.”
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
„Schrijft . . . toe.” Of: „Geeft . . . .” Hebr.: ha·voe′.
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
„In zijn heilige voorhof”, LXXSyVg.
Zie vs. 1 vtn., „Aarde”.
Zie App. 1C (8).
„Het productieve land.” Hebr.: te·vel′; LXX: „de bewoonde aarde”; Vgc(Lat.): or′bem ter′rae, „het rond der aarde”.
In M vormen de beginletters van de eerste vier Hebr. woorden van dit vs., van rechts naar links gelezen, een acrostichon van het Tetragrammaton, יהוה (JHWH), wat Gods exclusieve naam is. Getranscribeerd luiden de vier woorden: Jis·mechoe′ Hasj·sja·ma′jim Wetha·ghel′ Ha·ʼa′rets. De Hebr. masora, een verzameling kritische aantekeningen, vestigt de aandacht op dit acrostichon van het Tetragrammaton.
Zie App. 1C (8).
Zie vs. 10 vtn., „Land”.