Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 95:1-11

95  O komt, laten wij een vreugdegeroep aanheffen voor Jehovah!+ Laten wij in triomf onze Rots van redding toejuichen.+   Laten wij voor zijn persoon* komen met dankzegging;+ Laten wij hem met melodieën in triomf toejuichen.+   Want Jehovah is een groot God*+ En een groot Koning boven alle [andere] goden,*+   Hij in wiens hand de binnenste diepten* der aarde zijn+ En aan wie de toppen der bergen behoren;+   Aan wie de zee, die hijzelf gemaakt heeft, behoort+ En wiens eigen handen zelfs het droge land hebben gevormd.+   O komt, laten wij aanbidden en ons neerbuigen;+ Laten wij knielen+ voor Jehovah, onze Maker.+   Want hij is onze God, en wij zijn het volk van zijn weide en de schapen van zijn hand.+ Heden, indien GIJ naar zíȷ́n stem luistert,+   Verhardt UW hart niet als bij Me̱riba,*+ Als op de dag van Ma̱ssa* in de wildernis,+   Toen UW voorvaders mij op de proef stelden;+ Zij onderzochten mij, ook zagen zij mijn activiteit.+ 10  Veertig jaar lang bleef ik een walging gevoelen ten aanzien van [dat*] geslacht,+ En ik zei voorts: „Zij zijn een volk, eigenzinnig van hart,+ En zijzelf hebben mijn wegen niet leren kennen”;+ 11  Aangaande wie ik in mijn toorn gezworen heb:+ „Zij zullen mijn rustplaats* niet ingaan.”+

Voetnoten

Lett.: „aangezicht.” Vgl. Ex 33:14, 15 en 2Sa 17:11 vtnn., „Persoon”.
„Een groot God.” Hebr.: ʼEl ga·dhōl′.
„Boven alle [andere] goden.” Hebr.: ʽal-kol-ʼelo·him′.
Of: „de [te exploreren] gebieden.” Door een correctie van M in overeenstemming met LXX: „de verre oorden.”
Of: „de ruzie”, M; LXX: „de verbittering”; Vg: „de opwekking tot toorn.”
Bet.: „Op de proef stellen; Beproeving”; LXXVg: „de verzoeking.”
„Dat”, LXXSyVg; MT laten het weg.
„Rust”, LXXVg.