Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 94:1-23

94*  O God* van wraakoefeningen, Jehovah,+ O God van wraakoefeningen, verschijn in lichtglans!+   Verhef u, o Rechter der aarde.+ Doe vergelding wederkeren over de hoogmoedigen.+   Hoe lang zullen de goddelozen, o Jehovah,+ Hoe lang zullen de goddelozen, ja zij, uitbundige vreugde hebben?+   Zij laten maar [woorden] opborrelen, zij blijven maar onbeteugeld spreken;+ Alle beoefenaars van wat schadelijk is, blijven maar pochen over zichzelf.+   Uw volk, o Jehovah, blijven zij verbrijzelen,+ En uw erfdeel blijven zij kwellen.+   De weduwe en de inwonende vreemdeling doden zij,+ En de vaderloze jongens vermoorden zij.+   En zij blijven zeggen: „Jah* ziet [het] niet;+ En de God* van Ja̱kob begrijpt [het] niet.”+   Begrijpt [toch], GIJ redelozen onder het volk;+ En GIJ verstandelozen, wanneer zult GIJ enig inzicht hebben?+   Kan Hij die het oor plant, niet horen?+ Of kan Hij die het oog vormt, niet kijken?+ 10  Kan Hij die de natiën corrigeert, niet terechtwijzen,+ Ja, Hij die de mensen kennis leert?+ 11  Jehovah weet de gedachten der mensen,* dat ze als een ademtocht zijn.+ 12  Gelukkig is de fysiek sterke man* die gij corrigeert,+ o Jah, En die gij uit uw eigen wet onderwijst,+ 13  Om hem rust te geven van dagen van rampspoed,+ Totdat voor de goddeloze een kuil wordt gedolven.+ 14  Want Jehovah zal zijn volk niet verstoten,+ Noch zal hij zijn eigen erfdeel verlaten.+ 15  Want de rechterlijke beslissing zal zelfs tot rechtvaardigheid wederkeren,+ En alle oprechten van hart zullen er gevolg aan geven. 16  Wie zal voor mij opstaan tegen de boosdoeners?+ Wie zal het voor mij opnemen tegen de beoefenaars van wat schadelijk is?+ 17  Indien Jehovah mij niet tot hulp was geweest,+ Zou mijn ziel weldra in stilte verblijf hebben gehouden.+ 18  Wanneer ik zei: „Mijn voet zal zich stellig onvast bewegen”,+ Was het uw liefderijke goedheid, o Jehovah, die mij bleef schragen.+ 19  Wanneer mijn verontrustende gedachten vele werden binnen in mij,+ Waren het uw vertroostingen die mijn ziel gingen strelen.+ 20  Zal de troon die onheilen veroorzaakt, een bondgenoot zijn van u,+ Terwijl die moeite beraamt op gezag der verordening?+ 21  Zij doen scherpe aanvallen op de ziel van de rechtvaardige+ En verklaren zelfs het bloed van de onschuldige nog schuldig.+ 22  Maar Jehovah zal mij tot een veilige hoogte worden,+ En mijn God de rots van mijn toevlucht.+ 23  En hij zal hun schadelijkheid op hen doen wederkeren+ En zal hen tot zwijgen brengen met hun eigen rampspoed.+ Jehovah, onze God, zal hen tot zwijgen brengen.+

Voetnoten

LXX heeft het opschrift: „Een psalm van David, voor de vierde dag van de week”; Vg komt hiermee overeen.
„God van.” Hebr.: ʼEl.
„Jah.” Hebr.: Jah. Zie 68:4 vtn.
„God van.” Hebr.: ʼElo·hēʹ.
Lett.: „[van] de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
„De fysiek sterke man.” Hebr.: hag·geʹver.