Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 92:1-15

Een melodie, een lied, voor de sabbatdag. 92  Het is goed, Jehovah* dank te brengen+ En uw naam te bezingen met melodieën, o Allerhoogste;+   In de morgen over uw liefderijke goedheid te vertellen+ En over uw getrouwheid in de nachten,+   Op een tiensnarig instrument en op de luit,+ Door weergalmende muziek op de harp.+   Want gij hebt mij vreugde verschaft, o Jehovah,* vanwege uw activiteit; Vanwege de werken van uw handen hef ik een vreugdegeroep aan.+   Hoe groot zijn uw werken, o Jehovah!*+ Zeer diep zijn uw gedachten.+   Ja, geen redeloos man kan [ze] weten,+ En niemand die verstandeloos is, kan dit begrijpen.+   Wanneer de goddelozen uitspruiten als de plantengroei+ En alle beoefenaars van wat schadelijk is bloeien, Is het opdat zij voor eeuwig verdelgd worden.+   Maar gij zijt tot onbepaalde tijd in den hoge, o Jehovah.*+   Want zie! uw vijanden, o Jehovah,*+ Want zie! uw eigen vijanden zullen vergaan;+ Alle beoefenaars van wat schadelijk is, zullen van elkaar worden gescheiden.+ 10  Maar gij zult mijn hoorn verhogen als die van een wilde stier;*+ Ik zal [mij] bevochtigen* met verse olie.+ 11  En mijn oog zal op mijn vijanden* neerzien;+ Mijn oren zullen juist over degenen horen die tegen mij opstaan, de boosdoeners. 12  De rechtváárdige zal bloeien als een palmboom;+ Als een ceder op de Li̱banon zal hij groot worden.+ 13  Zij die geplant zijn in het huis van Jehovah,+ In de voorhoven van onze God,+ zij zullen bloeien. 14  Zij zullen nog blijven gedijen in de grijsheid,+ Vet en fris zullen zij blijven,+ 15  Om te vertellen dat Jehovah oprecht is.+ [Hij is] mijn Rots,+ in wie geen onrechtvaardigheid is.+

Voetnoten

Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Of: „als die van een buffel.” Hebr.: kir·ʼēm′; Gr.: mo·no·ke·ro′tos, „eenhoorn”; Lat.: u·ni·cor′nis, „eenhoorn”. Vg geeft dit Hebr. woord ook wel met „neushoorn” weer. Zie Nu 23:22 vtn., „Stier”.
„Gij hebt mij bevochtigd”, TSy.
„Vijanden”, LXXSyVg; M: „muren.”