Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 9:1-20

Aan de leider, op Moeth-La̱bben.* Een melodie van Da̱vid. א [ʼAʹlef]* 9  Ik wil [u] prijzen, o Jehovah, met heel mijn hart;+ Ik wil al uw wonderwerken bekendmaken.+   Ik wil mij verheugen en uitbundige vreugde hebben in u,+ Ik wil uw naam, o Allerhoogste, bezingen met melodieën.+ ב [Bēth]   Wanneer mijn vijanden terugwijken,+ Zullen zij struikelen en van voor uw aangezicht vergaan.+   Want gij hebt mijn rechtszaak en mijn pleit behartigd;+ Gij hebt op de troon gezeten, rechtsprekend met rechtvaardigheid.+ ג [Giʹmel]   Gij hebt natiën bestraft,+ gij hebt de goddeloze verdelgd.+ Hun naam hebt gij tot onbepaalde tijd uitgewist, ja, voor eeuwig.*+   O gij vijand, [uw] verwoestingen zijn voor altijd tot een einde gekomen,+ En de steden die gij hebt uitgerukt.+ Zelfs de vermelding van hen zal stellig vergaan.+ ה [Heʼ]   Wat Jehovah betreft, hij zal zetelen tot onbepaalde tijd,+ Zijn troon stevig bevestigend voor het oordeel zelf.+   En hijzelf zal het productieve land* richten in rechtvaardigheid;+ Hij zal vonnis vellen over nationale groepen naar recht.+ ו [Waw]   En Jehovah zal een veilige hoogte worden voor iedere verbrijzelde,+ Een veilige hoogte in tijden van nood.+ 10  En zij die uw naam kennen, zullen op u vertrouwen,+ Want gij zult hen die u zoeken, stellig niet verlaten, o Jehovah.+ ז [Zaʹjin] 11  Bezingt Jehovah, die te Si̱on woont,+ met melodieën; Vertelt onder de volken zijn daden.+ 12  Want wanneer hij naar bloedvergieting zoekt,+ zal hij juist diegenen stellig gedenken;+ Hij zal het luide geroep van de ellendigen zeker niet vergeten.+ ח [Chēth] 13  Betoon mij gunst, o Jehovah; zie mijn ellende, [berokkend] door degenen die mij haten,+ O gij die mij opheft uit de poorten des doods,+ 14  Opdat ik al uw roemrijke daden kan bekendmaken+ In de poorten+ van de dochter van Si̱on,+ Opdat ik blij kan zijn in uw redding.+ ט [Tēth] 15  De natiën zijn weggezonken in de kuil die ze hebben gemaakt;+ In het net+ dat ze verborgen hadden, is hun eigen voet gevangen.+ 16  Jehovah wordt gekend aan het oordeel dat hij heeft voltrokken.+ Door de activiteit van zijn eigen handen is de goddeloze verstrikt.*+ Higgajon.* Sela. י [Jōdh] 17  De goddelozen+ zullen omkeren naar Sjeo̱o̱l,*+ Ja, alle natiën die God* vergeten.+ 18  Want niet voor altijd zal de arme vergeten worden,+ Noch zal de hoop van de zachtmoedigen voor eeuwig vergaan.+ כ [Kaf] 19  Sta toch op, o Jehovah! Laat de sterfelijke mens niet superieur blijken te zijn in sterkte.+ Laten de natiën voor uw aangezicht geoordeeld worden.+ 20  Boezem hun toch vrees in,* o Jehovah,+ Opdat de natiën mogen weten dat zij slechts sterfelijke mensen zijn.+ Sela.

Voetnoten

„Op Moeth-Labben.” Hebr.: ʽal·moethʹ lab·benʹ, een niet-verklaarde Hebr. uitdr., door sommigen echter vertaald met: „over de dood van de zoon.”
In M is deze psalm samen met Ps 10 in de vorm van een acrostichon, d.w.z. in alfabetische volgorde, opgesteld, waarbij enkele letters ontbreken.
Of: „tot in alle eeuwigheid.”
„Het productieve land.” Hebr.: te·velʹ; LXX: „de bewoonde aarde”; Vg: „het rond”, d.w.z. van de aarde.
„Is . . . verstrikt”, door een verandering van vocalisatie; M: „heeft hij . . . verstrikt.”
„Higgajon.” Een in de muziek gebruikte vakterm waarvan de betekenis onzeker is.
„Sjeool”, MTSy; Gr.: haiʹden; Lat.: in·ferʹnum. Zie App. 4B.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
„Leg toch een vloek op hen”, door een correctie van M.