Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 89:1-52

Maskil.* Van E̱than de Ezrahiet.+ 89  Jehovah’s uitingen van liefderijke goedheid* wil ik zelfs tot onbepaalde tijd bezingen.+ Van geslacht tot geslacht zal ik uw getrouwheid bekendmaken met mijn mond.+   Want ik heb gezegd: „Liefderijke goedheid zal zelfs tot onbepaalde tijd gebouwd blijven;+ Wat de hemelen betreft, gij houdt uw getrouwheid daarin stevig bevestigd.”+   „Ik heb een verbond gesloten* jegens mijn uitverkorene;+ Ik heb aan mijn knecht Da̱vid gezworen:+   ’Ja, tot onbepaalde tijd zal ik uw zaad* stevig bevestigen,+ En ik wil uw troon bouwen+ van geslacht tot geslacht.’” Sela.   En de hemelen zullen uw wonderdaad prijzen, o Jehovah,+ Ja, uw getrouwheid in de gemeente* der heiligen.   Want wie in de wolkenhemel kan met Jehovah worden vergeleken?+ Wie kan aan Jehovah gelijk zijn onder de zonen van God?*+   God* dient in ontzag gehouden te worden in de intieme groep van heiligen;+ Hij is groots en vrees inboezemend boven allen die rondom hem zijn.+   O Jehovah, God der legerscharen,+ Wie is vol kracht als gij, o Jah?*+ En uw getrouwheid is rondom u.+   Gij heerst over het zwellen van de zee;+ Wanneer haar golven zich verheffen, stilt gíȷ́ ze.+ 10  Gijzelf hebt Ra̱hab* verbrijzeld,+ net als een verslagene.+ Door de arm van uw sterkte hebt gij uw vijanden verstrooid.+ 11  De hemel is van u,+ ook de aarde is van u;+ Het productieve land* en dat wat het vult+ — gijzelf hebt ze gegrondvest.+ 12  Het noorden en het zuiden* — gijzelf hebt ze geschapen;+ Ta̱bor+ en He̱rmon+ — in uw naam heffen ze een vreugdegeroep aan.+ 13  Een arm met macht is de uwe,+ Uw hand is sterk,+ Uw rechterhand is verheven.+ 14  Rechtvaardigheid en recht zijn de vaste plaats van uw troon;+ Ja, liefderijke goedheid en waarachtigheid* stellen zich voor uw aangezicht.+ 15  Gelukkig is het volk dat het gejuich kent.+ O Jehovah, in het licht van uw aangezicht blijven zij wandelen.+ 16  In uw naam zijn zij de gehele dag blij+ En in uw rechtvaardigheid worden zij verhoogd.+ 17  Want gij zijt de luister van hun sterkte;+ En door uw goede wil wordt onze hoorn verhoogd.+ 18  Want ons schild behoort Jehovah toe,+ En onze koning behoort de Heilige I̱sraëls toe.+ 19  In die tijd hebt gij in een visioen tot uw loyalen gesproken,+ En gij hebt toen gezegd: „Ik heb hulp gelegd op een machtige;+ Ik heb een uitverkorene uit het volk verheven.+ 20  Ik heb mijn knecht Da̱vid gevonden;+ Met mijn heilige olie heb ik hem gezalfd,+ 21  Met wie mijn eigen hand vast zal zijn,+ Die mijn eigen arm ook zal sterken.+ 22  Geen vijand zal hem buitensporige eisen opleggen,+ Noch zal enige zoon van onrechtvaardigheid hem kwellen.+ 23  En van voor zijn aangezicht heb ik zijn tegenstanders verbrijzeld,+ En aan hen die hem intens haatten, bleef ik slagen toedienen.+ 24  En mijn getrouwheid en mijn liefderijke goedheid zijn met hem,+ En in mijn naam wordt zijn hoorn verhoogd.+ 25  En op de zee heb ik zijn hand gelegd+ En op de rivieren zijn rechterhand.+ 26  Hijzelf roept uit tot mij: ’Gij zijt mijn Vader,+ Mijn God+ en de Rots van mijn redding.’+ 27  Ook zal ikzelf hem tot eerstgeborene stellen,+ Tot de hoogste van de koningen der aarde.+ 28  Tot onbepaalde tijd zal ik mijn liefderijke goedheid jegens hem bewaren,+ En mijn verbond zal getrouw* zijn jegens hem.+ 29  En ik zal zijn zaad stellig bevestigen tot in eeuwigheid+ En zijn troon als de dagen des hemels.+ 30  Indien zijn zonen mijn wet verlaten+ En in mijn rechterlijke beslissingen niet wandelen,+ 31  Indien zij mijn eigen inzettingen ontwijden En mijn eigen geboden niet onderhouden, 32  Dan moet ik mijn aandacht op hun overtreding richten met een roede+ En op hun dwaling met slagen.+ 33  Maar mijn liefderijke goedheid* zal ik hem niet onttrekken,+ Noch zal ik ontrouw blijken te zijn met betrekking tot mijn getrouwheid.+ 34  Ik zal mijn verbond niet ontwijden,+ En wat van mijn lippen is uitgegaan, zal ik niet veranderen.+ 35  Eenmaal heb ik in mijn heiligheid gezworen,+ Aan Da̱vid wil ik geen leugens vertellen.+ 36  Ja, zijn zaad zal zelfs tot onbepaalde tijd blijken te zijn,+ En zijn troon als de zon vóór mij.+ 37  Als de maan zal die voor onbepaalde tijd stevig bevestigd worden, En [als] een getrouwe getuige in de wolkenhemel.” Sela. 38  Maar gij — gij hebt verstoten en gij blijft versmaden;+ Gij zijt verbolgen geworden op uw gezalfde.*+ 39  Gij hebt het verbond van uw knecht vol verachting verworpen; Gij hebt zijn diadeem zelfs tot de aarde toe ontwijd.+ 40  Gij hebt al zijn stenen kooien neergehaald;+ Gij hebt zijn vestingwerken in puin gelegd.+ 41  Allen die op de weg voorbijgaan, hebben hem geplunderd;+ Hij is een smaad geworden voor zijn buren.+ 42  Gij hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verhoogd;+ Gij hebt al zijn vijanden vreugde verschaft.+ 43  Wat meer is, gij behandelt zijn zwaard weer als een vijand,+ En gij hebt hem geen veld doen winnen in de strijd.+ 44  Gij hebt zijn glans doen ophouden,+ En zijn troon hebt gij zelfs ter aarde neergeworpen.+ 45  Gij hebt de dagen van zijn jeugd verkort; Gij hebt hem in schaamte gehuld.+ Sela. 46  Hoe lang, o Jehovah, zult gij u verborgen houden? Voor altijd?+ Zal uw woede blijven branden net als een vuur?+ 47  Bedenk wat mijn levensduur is.+ Is het volkomen tevergeefs dat gij alle mensenzonen* hebt geschapen?+ 48  Welke fysiek sterke man leeft er die de dood niet zal zien?+ Kan hij zijn ziel ontkoming verschaffen uit de hand van Sjeo̱o̱l?+ Sela. 49  Waar zijn uw vroegere daden van liefderijke goedheid, o Jehovah,* Die gij Da̱vid, in uw getrouwheid, onder ede hebt beloofd?+ 50  Gedenk, o Jehovah,* de smaad [die] op uw knechten [rust],+ Hoe ik in mijn boezem [de smaad van] al de vele volken draag,+ 51  Hoe uw vijanden hebben gesmaad, o Jehovah,*+ Hoe zij de voetsporen van uw gezalfde hebben gesmaad.+ 52  Gezegend zij Jehovah* tot onbepaalde tijd. Amen en Amen.+

Voetnoten

Zie 32:Ops. vtn.
Of: „loyale liefde.”
Lett.: „gesneden.”
Of: „nageslacht.”
„In de gemeente.” Hebr.: biq·halʹ; Gr.: ek·kleʹsi·ai; Lat.: ec·cleʹsi·a.
„God.” Hebr.: ʼE·limʹ, mv. van ʼEl, ter aanduiding van majesteit of uitnemendheid; Gr.: Theʹou; Lat.: Deʹi; TSy: „engelen.” Vgl. Job 1:6 vtnn., „Zonen” en „God”; Job 38:7 vtn.
Of: „De Goddelijke.” Hebr.: ʼEl.
Zie 68:4 vtn.
Of: „de Bestormer.” T: „de arrogante, dat wil zeggen de goddeloze Farao”; LXXVg: „de trotsaard (hoogmoedige).”
„Het productieve land.” Hebr.: te·velʹ; LXX: „de bewoonde aarde”; Lat.: orʹbem terʹrae, „het rond der aarde”.
„Het zuiden.” Lett.: „de rechtse [kant]”, als men naar het oosten gekeerd staat.
Of: „en waarheid (betrouwbaarheid).” Hebr.: we·ʼemethʹ.
Of: „duurzaam (bestendig).”
Of: „loyale liefde.”
„Uw gezalfde.” Hebr.: mesji·cheʹkha; T(Aram.)Syr.: dam·sji·chakh; Gr.: chriʹston; Lat.: chriʹstum.
Lett.: „zonen van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dhamʹ].”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B, 1C (10).
Zie 90:1 vtn.
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).