Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 86:1-17

Een gebed van Da̱vid. 86  Neig, o Jehovah, uw oor. Antwoord mij,+ Want ik ben ellendig en arm.+   O behoed toch mijn ziel, want ik ben loyaal.+ Red uw knecht — gij zijt mijn God — die op u vertrouwt.+   Betoon mij gunst, o Jehovah,*+ Want tot u blijf ik de gehele dag roepen.+   Verheug de ziel van uw knecht,+ Want tot u, o Jehovah,* hef ik mijn eigen ziel op.+   Want gij, o Jehovah,* zijt goed+ en vergevensgezind;+ En de liefderijke goedheid jegens allen die u aanroepen, is overvloedig.+   Leen toch het oor, o Jehovah, aan mijn gebed;+ En schenk toch aandacht aan de stem van mijn smekingen.+   Op de dag van mijn benauwdheid wil ik u aanroepen,+ Want gij zult mij antwoorden.+   Er is niemand als gij onder de goden,* o Jehovah,*+ Ook zijn er geen werken als de uwe.+   Alle natiën die gij hebt gemaakt, zullen zelf komen,+ En ze zullen zich voor u neerbuigen, o Jehovah,*+ En zullen heerlijkheid geven aan uw naam.+ 10  Want gij zijt groot en doet wonderbare dingen;+ Gij zijt God, gij alleen.+ 11  Onderricht mij, o Jehovah, omtrent uw weg.+ Ik zal in uw waarheid wandelen.+ Verenig mijn hart om uw naam te vrezen.+ 12  Ik prijs u, o Jehovah,* mijn God, met heel mijn hart,+ En ik wil uw naam tot onbepaalde tijd verheerlijken, 13  Want uw liefderijke goedheid is groot jegens mij,+ En gij hebt mijn ziel uit Sjeo̱o̱l, [uit] zijn onderste plaats, bevrijd.+ 14  O God, het zijn de overmoedigen die tegen mij zijn opgestaan;+ En het is de vergadering der tirannieken die mijn ziel heeft gezocht,+ En zij hebben u niet voor ogen gesteld.+ 15  Maar gij, o Jehovah,* zijt een God* barmhartig en goedgunstig,+ Langzaam tot toorn+ en overvloedig in liefderijke goedheid en waarachtigheid.*+ 16  Wend u tot mij en betoon mij gunst.+ Geef toch uw sterkte aan uw knecht,+ En red toch de zoon van uw slavin.+ 17  Bewerk ten aanzien van mij een teken dat goedheid beduidt, Opdat degenen die mij haten, [het] zien en beschaamd staan.+ Want gijzelf, o Jehovah, hebt mij geholpen en getroost.+

Voetnoten

Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·nai′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Zie vs. 3 vtn.
Zie vs. 3 vtn.
„Onder de goden.” Hebr.: va·ʼelo·him′; Gr.: the′ois; Lat.: di′is; T: „verheven engelen.”
Zie vs. 3 vtn.
Zie vs. 3 vtn.
Zie vs. 3 vtn.
Zie vs. 3 vtn.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „en waarheid.” Hebr.: we·ʼemeth′.