Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 84:1-12

Voor de leider, op de Gi̱ttith.*+ Van de zonen van Ko̱rach. Een melodie. 84  Hoe lieflijk is uw grootse tabernakel,+ O Jehovah der legerscharen!+   Mijn ziel heeft vurig verlangd en ook gesmacht naar de voorhoven van Jehovah.+ Mijn eigen hart en zelfs mijn vlees heffen een vreugdegeroep aan voor de levende God.*+   Ja, zelfs de vogel heeft een huis gevonden, En de zwaluw een nest voor zichzelf, Waar ze haar jongen heeft neergelegd — Uw grootse altaar,* o Jehovah der legerscharen, mijn Koning en mijn God!*   Gelukkig zijn zij die in uw huis wonen!+ Zij blijven u nog steeds loven.+ Sela.   Gelukkig zijn de mensen* wier sterkte in u* is,+ In wier hart de gebaande wegen zijn.+   Trekkend door de laagvlakte van de bakastruiken,+ Veranderen zij die zelfs in een bron; Ja, in zegeningen hult zich de onderwijzer.+   Zij zullen voortgaan van vitale kracht tot vitale kracht;+ Ieder verschijnt voor God in Si̱on.*+   O Jehovah, God* der legerscharen, hoor toch mijn gebed;+ Leen toch het oor, o God van Ja̱kob.+ Sela.   O schild van ons, zie, o God,+ En aanschouw het aangezicht van uw gezalfde.*+ 10  Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend [elders].+ Ik heb verkozen aan de drempel in het huis van mijn God te staan+ Boven het rondgaan in de tenten der goddeloosheid.+ 11  Want Jehovah God is een zon+ en een schild;+ Gunst en heerlijkheid geeft hij.+ Jehovah zelf zal niets goeds onthouden aan hen die in onberispelijkheid wandelen.+ 12  O Jehovah der legerscharen, gelukkig is de mens* die op u vertrouwt.+

Voetnoten

Zie 8:Ops. en vtn.
Of: „de levende Goddelijke.” Hebr.: ʼEl-chai′.
Lett.: „uw altaren”, waarschijnlijk mv. ter aanduiding van verhevenheid. Vgl. „grootse tabernakel” in vs. 1.
„En mijn God.” Hebr.: wEʼ·lo·hai′.
Lett.: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.
„U”, MVg; LXX: „u, o Jehovah”; T: „uw Meimra.”
„Zij zullen de God der goden in Sion zien”, door een geringe correctie in M; LXXSyVg: „de God der goden zal in Sion worden gezien.”
„God.” Hebr.: ʼElo·him′.
Of: „uw messias.” Hebr.: mesji·che′kha; Gr.: chri′stou; Syr.: mesji·chakh; Lat.: chri′sti.
Of: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.