Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 84:1-12

Voor de leider, op de Gi̱ttith.*+ Van de zonen van Ko̱rach. Een melodie. 84  Hoe lieflijk is uw grootse tabernakel,+O Jehovah der legerscharen!+   Mijn ziel heeft vurig verlangd en ook gesmacht naar de voorhoven van Jehovah.+Mijn eigen hart en zelfs mijn vlees heffen een vreugdegeroep aan voor de levende God.*+   Ja, zelfs de vogel heeft een huis gevonden,En de zwaluw een nest voor zichzelf,Waar ze haar jongen heeft neergelegd —Uw grootse altaar,* o Jehovah der legerscharen, mijn Koning en mijn God!*   Gelukkig zijn zij die in uw huis wonen!+Zij blijven u nog steeds loven.+ Sela.   Gelukkig zijn de mensen* wier sterkte in u* is,+In wier hart de gebaande wegen zijn.+   Trekkend door de laagvlakte van de bakastruiken,+Veranderen zij die zelfs in een bron;Ja, in zegeningen hult zich de onderwijzer.+   Zij zullen voortgaan van vitale kracht tot vitale kracht;+Ieder verschijnt voor God in Si̱on.*+   O Jehovah, God* der legerscharen, hoor toch mijn gebed;+Leen toch het oor, o God van Ja̱kob.+ Sela.   O schild van ons, zie, o God,+En aanschouw het aangezicht van uw gezalfde.*+ 10  Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend [elders].+Ik heb verkozen aan de drempel in het huis van mijn God te staan+Boven het rondgaan in de tenten der goddeloosheid.+ 11  Want Jehovah God is een zon+ en een schild;+Gunst en heerlijkheid geeft hij.+Jehovah zelf zal niets goeds onthouden aan hen die in onberispelijkheid wandelen.+ 12  O Jehovah der legerscharen, gelukkig is de mens* die op u vertrouwt.+

Voetnoten

Zie 8:Ops. en vtn.
Of: „de levende Goddelijke.” Hebr.: ʼEl-chaiʹ.
Lett.: „uw altaren”, waarschijnlijk mv. ter aanduiding van verhevenheid. Vgl. „grootse tabernakel” in vs. 1.
„En mijn God.” Hebr.: wEʼ·lo·haiʹ.
Lett.: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
„U”, MVg; LXX: „u, o Jehovah”; T: „uw Meimra.”
„Zij zullen de God der goden in Sion zien”, door een geringe correctie in M; LXXSyVg: „de God der goden zal in Sion worden gezien.”
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
Of: „uw messias.” Hebr.: mesji·cheʹkha; Gr.: chriʹstou; Syr.: mesji·chakh; Lat.: chriʹsti.
Of: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.