Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 83:1-18

Een lied. Een melodie van A̱saf.+ 83  O God, laat er geen stilzwijgen van uw zijde zijn;+ Verstom niet, en blijf niet stil, o Goddelijke.*+   Want zie! juist uw vijanden maken getier;+ En juist zij die u intens haten, hebben [hun] hoofd opgestoken.+   Tegen uw volk voeren zij listig hun vertrouwelijke bespreking;+ En zij spannen samen tegen uw verborgenen.+   Zij hebben gezegd: „Komt en laten wij hen als natie verdelgen,+ Opdat aan de naam van I̱sraël niet meer wordt gedacht.”+   Want met het hart hebben zij eensgezind raad uitgewisseld;+ Tegen u hebben zij voorts zelfs een verbond* gesloten,+   De tenten van E̱dom+ en de Ismaëlieten, Mo̱ab+ en de Hagrieten,+   Ge̱bal en A̱mmon+ en A̱malek, Filiste̱a+ te zamen met de inwoners van Ty̱rus.+   Ook Assy̱rië* zelf heeft zich bij hen gevoegd;+ Zij zijn een arm geworden voor de zonen van Lot.*+ Sela.   Doe hun als Mi̱dian,+ als Si̱sera,+ Als Ja̱bin+ in het stroomdal van de Ki̱son.+ 10  Zij werden verdelgd bij En-Dor;+ Zij werden tot mest voor de aardbodem.+ 11  Wat hun edelen betreft, maak hen als O̱reb en als Ze̱ëb,+ En als Ze̱bah en als Zalmu̱na al hun hertogen,+ 12  Die hebben gezegd: „Laten wij de verblijfplaatsen van God voor ons in bezit nemen.”+ 13  O mijn God, maak hen als een wervelwind van distels,+ Als kaf voor de wind.*+ 14  Als een vuur dat het woud verbrandt+ En als een vlam die de bergen verzengt,+ 15  Moogt gij hen zó achtervolgen met uw orkaan+ En moogt gij hen met uw stormwind met ontsteltenis slaan.+ 16  Vervul hun aangezicht met oneer,+ Opdat men* uw naam zoekt, o Jehovah.+ 17  O mogen zij voor altijd beschaamd en ontsteld zijn,+ En mogen zij schaamrood worden en vergaan;+ 18  Opdat men weet+ dat gij, wiens naam Jehovah is,+ Gij alleen de Allerhoogste zijt+ over heel de aarde.+

Voetnoten

Of: „o God.” Hebr.: ʼEl.
„Verbond.” Hebr.: berithʹ; Gr.: di·a·theʹken; Vg(Lat.): te·sta·menʹtum. Zie App. 7E.
Of: „Assur”, MLXXVg.
„Zonen van Lot”, d.w.z. de Moabieten en de Ammonieten in vs. 6, 7.
„Wind.” Hebr.: roeʹach; Gr.: aʹne·mou; Lat.: venʹti. Vgl. Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
Of: „zij”, mv.