Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 80:1-19

Aan de leider, op „De lelies”.*+ Een vermaning.* Van A̱saf.+ Een melodie. 80  O Herder van I̱sraël, leen toch het oor,+ Gij die Jo̱zef leidt net als een kudde.+ O gij die op de cherubs zit,+ verschijn toch in lichtglans.+   Wek voor het aangezicht van E̱fraïm en Be̱njamin en Mana̱sse toch uw macht op,+ En kom toch tot onze redding.+   O God, breng ons terug;+ En doe uw aangezicht lichten, opdat wij gered mogen worden.+   O Jehovah, God der legerscharen, hoe lang moet gij zieden tegen het gebed van uw volk?+   Gij hebt hen tranenbrood doen eten,+ En gij laat hen voortdurend tranen en nog eens tranen drinken in [grote] mate.*+   Gij stelt ons tot een twist voor onze buren,+ En het zijn onze vijanden die ons blijven bespotten naar hun welgevallen.+   O God der legerscharen,* breng ons terug;+ En doe uw aangezicht lichten, opdat wij gered mogen worden.+   Gij zijt ertoe overgegaan een wijnstok uit Egy̱pte te doen vertrekken.+ Gij bleeft de natiën verdrijven, opdat gij hem zoudt kunnen planten.+   Gij hebt een open plek voor hem gemaakt,+ opdat hij wortel kon schieten en het land kon vullen.+ 10  De bergen werden bedekt met zijn schaduw, En de ceders van God met zijn grote takken.+ 11  Geleidelijk zond hij zijn grote takken uit tot aan de zee,+ En tot de Rivier* zijn loten.+ 12  Waarom hebt gij zijn stenen muren neergehaald,+ En [waarom] hebben allen die er op de weg voorbijgaan, eraan geplukt?+ 13  Een everzwijn uit het bos* blijft hem afvreten,+ En het gewemel van dieren op het open veld blijft hem afweiden.+ 14  O God der legerscharen,* keer alstublieft terug;*+ Blik neer uit de hemel en zie en draag zorg voor deze wijnstok,+ 15  En de stok* die uw rechterhand heeft geplant,+ En [zie] op de zoon* die gij u sterk hebt gemaakt.+ 16  Hij is met vuur verbrand, afgesneden.+ Vanwege de bestraffing van uw aangezicht vergaan zij.+ 17  Laat uw hand over de man* van uw rechterhand blijken te zijn,+ Over de mensenzoon* die gij u sterk hebt gemaakt,+ 18  En wij zullen ons niet van u afkeren.+ Moogt gij ons in het leven houden, opdat wij uw eigen naam kunnen aanroepen.+ 19  O Jehovah, God der legerscharen,* breng ons terug;+ Doe uw aangezicht lichten, opdat wij gered mogen worden.+

Voetnoten

Zie 45:Ops. vtn., „Lelies”.
„In [grote] mate.” Lett.: „een derde”, d.w.z. van een onbepaalde maat. Hebr.: sja·lisj′.
„God der legerscharen”, MTSy; Gr.: Ku′ri·e ho The′os ton du·na′me·on, „Jehovah, God der legerscharen”, zoals in vs. 19 (79:20, LXX).
D.w.z. de Eufraat.
In het Hebr. heeft dit zn. een verhoogde letter ʽa′jin om het midden van de Psalmen aan te geven.
„God der legerscharen.” Hebr.: ʼElo·him′ tseva·ʼōth′.
„Keer . . . terug.” Of: „weer (wederom)”, maar dan te verbinden met de ww.-vormen in de volgende regel.
Of: „rank [van de wijnstok].” Door een verandering van de eerste Hebr. letter: „tuin.”
„Zoon”, M; LXXSyVgc: „mensenzoon”; T: „koning Messias (gezalfde).”
„Man van.” Hebr.: ʼisj.
Of: „zoon van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dham′].”