Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalm 78:1-72

Maskil.* Van A̱saf.+ 78  Leen toch het oor, o mijn volk, aan mijn wet;+ Neigt UW oor naar de woorden van mijn mond.+   In een spreukachtige rede wil ik mijn mond opendoen;+ Ik wil raadsels van weleer doen opborrelen,+   Die wij gehoord hebben en weten,+ En die onze eigen vaderen ons hebben verhaald;+   Die wij niet verbergen voor hun zonen,+ Terwijl wij [ze] zelfs aan het komende geslacht verhalen,+ De loftuitingen van Jehovah en zijn sterkte+ En zijn wonderbare dingen die hij heeft gedaan.+   Hij dan richtte een vermaning op in Ja̱kob,+ En een wet stelde hij in I̱sraël,+ Dingen die hij onze voorvaders gebood,+ Om ze aan hun zonen bekend te maken;+   Opdat het komende geslacht, de zonen die geboren zouden worden, [ze] zouden weten,+ Opdat zij zouden opstaan en [ze] aan hun zonen zouden verhalen,+   En opdat zij op God* hun vertrouwen zouden stellen+ En de daden van God* niet zouden vergeten+ maar zijn eigen geboden zouden nakomen.+   En zij dienden niet als hun voorvaders te worden,+ Een onhandelbaar en weerspannig geslacht,+ Een geslacht dat zijn hart niet had bereid+ En welks geest niet betrouwbaar was jegens God.*+   De zonen van E̱fraïm, ofschoon gewapende boogschutters,+ Maakten rechtsomkeert op de dag van de strijd.+ 10  Zij hielden zich niet aan het verbond van God,*+ En in zijn wet weigerden zij te wandelen.+ 11  Zij vergaten voorts ook zijn handelingen+ En zijn wonderwerken die hij hun had doen zien.+ 12  Ten aanschouwen van hun voorvaders had hij op wonderbare wijze gehandeld+ In het land Egy̱pte,+ het veld van Zo̱an.+ 13  Hij spleet de zee, opdat hij hen kon laten overtrekken,+ En hij deed de wateren staan als een dam.+ 14  En hij bleef hen leiden met een wolk overdag+ En de gehele nacht met een licht van vuur.+ 15  Voorts spleet hij rotsen in de wildernis,+ Opdat hij [hen] in overvloed kon laten drinken net als [uit] waterdiepten.*+ 16  En hij bracht vervolgens stromen te voorschijn uit een steile rots+ En deed wateren neerstromen net als rivieren.+ 17  En zij bleven nog meer tegen hem zondigen+ Door weerspannig tegen de Allerhoogste te zijn in de waterloze streek;+ 18  En zij gingen in hun hart God* op de proef stellen+ Door iets te eten te vragen voor hun ziel.+ 19  Zij gingen dus tégen God* spreken.+ Zij zeiden: „Kan God soms een tafel in orde maken in de wildernis?”+ 20  Zie! Hij sloeg op een rots+ Opdat er wateren zouden vloeien en zelfs stromen als een vloed zouden uitbreken.+ „Is hij ook in staat zelfs brood te geven,+ Of kan hij voedsel voor zijn volk bereiden?”+ 21  Daarom hoorde Jehovah en werd verbolgen;+ Ja, vuur ontbrandde tegen Ja̱kob,+ En toorn steeg ook op tegen I̱sraël.+ 22  Want zij stelden geen geloof in God,+ En zij vertrouwden niet op redding door hem.+ 23  Toen gebood hij de wolkenhemel daarboven, En hij opende zelfs de deuren van de hemel.+ 24  En hij liet aanhoudend manna om te eten op hen regenen,+ En het hemelkoren gaf hij hun.+ 25  Mensen* aten zelfs het brood der sterken;*+ Mondvoorraad zond hij hun tot verzadiging toe.+ 26  Hij liet voorts een oostenwind opsteken in de hemel+ En liet een zuidenwind waaien door zijn eigen sterkte.+ 27  En hij liet toen voedsel op hen regenen net als stof,+ Ja, gevleugelde vliegende schepselen net als de zandkorrels der zeeën.+ 28  En hij liet [ze] voortdurend vallen midden in zijn kamp,+ Rondom zijn woningen.+ 29  En zij gingen eten en werden ten zeerste verzadigd,+ En wat zij begeerden, bracht hij hun voorts.+ 30  Zij hadden zich [nog] niet van hun begeerte afgewend, Hun voedsel was nog in hun mond,+ 31  Of Gods gramschap rees tegen hen op.+ En hij doodde voorts onder hun welgedanen;+ En de jonge mannen van I̱sraël deed hij ineenstorten. 32  Ondanks dit alles zondigden zij nog meer+ En stelden geen geloof in zijn wonderwerken.+ 33  Daarom bracht hij hun dagen tot een eind als waren ze slechts een ademtocht,+ En hun jaren door de ontsteltenis. 34  Zo vaak hij hen doodde, vroegen zij ook naar hem,+ En zij keerden terug en zochten God.*+ 35  En zij gingen zich te binnen brengen dat God* hun Rots was,+ En dat God, de Allerhoogste, hun Wreker was.+ 36  En zij trachtten hem te misleiden met hun mond;+ En met hun tong trachtten zij tegen hem te liegen.+ 37  En hun hart was niet standvastig jegens hem;+ En zij bleken niet getrouw te zijn in zijn verbond.+ 38  Maar hij was barmhartig;+ hij bedekte steeds weer de dwaling+ en verdierf niet.+ En menigmaal wendde hij zijn toorn af,+ En hij wekte dan niet heel zijn woede op. 39  En hij bleef gedenken dat zij vlees waren,+ Dat de geest* heengaat en niet wederkeert.+ 40  Hoe dikwijls plachten zij weerspannig tegen hem te zijn in de wildernis,+ Steeds weer maakten zij dat hij zich gegriefd voelde in de woestijn!+ 41  En herhaaldelijk plachten zij God* op de proef te stellen,+ En zij bedroefden zelfs de Heilige I̱sraëls.+ 42  Zij dachten niet aan zijn hand,+ Aan de dag dat hij hen van de tegenstander verloste,+ 43  Hoe hij in Egy̱pte zijn tekenen stelde+ En zijn wonderen in het veld van Zo̱an;+ 44  En hoe hij hun Nijlkanalen in bloed ging veranderen,+ Zodat zij uit hun eigen stromen niet konden drinken.+ 45  Voorts zond hij steekvliegen over hen, opdat die hen zouden verteren;+ En kikvorsen, opdat die hen in het verderf zouden storten.+ 46  En hij gaf nu aan de kakkerlakken hun opbrengst, En hun moeizame arbeid aan de sprinkhanen.+ 47  Hij doodde vervolgens hun wijnstok zelfs door de hagel+ En hun sycomoorbomen door hagelstenen.+ 48  En hij gaf voorts hun lastdieren zelfs aan de hagel prijs+ En hun vee aan de vlammende koorts. 49  Hij zond vervolgens zijn brandende toorn over hen,+ Verbolgenheid en openlijke veroordeling en benauwdheid,+ Delegaties van engelen die rampspoed brachten.+ 50  Voorts baande hij een pad voor zijn toorn.+ Hij weerhield hun ziel niet van de dood zelf; En hun leven gaf hij zelfs aan de pestilentie* prijs.+ 51  Ten slotte sloeg hij alle eerstgeborenen in Egy̱pte,+ Het begin van hun voortplantingsvermogen* in de tenten van Cham.+ 52  Daarna liet hij zijn volk vertrekken net als schapen,+ En leidde hen als een kudde in de wildernis.+ 53  En hij bleef hen veilig leiden, en zij gevoelden geen angst;+ En hun vijanden — de zee bedekte hen.+ 54  Voorts bracht hij hen naar zijn heilig gebied,+ Dit bergland dat zijn rechterhand had verworven.+ 55  En wegens hen verdreef hij geleidelijk de natiën,+ En door het meetsnoer mat hij hun vervolgens een erfdeel toe,+ Zodat hij de stammen van I̱sraël in hun eigen huizen* liet verblijven.+ 56  En zij gingen God, de Allerhoogste, op de proef stellen en werden weerspannig tegen hem,+ En zijn vermaningen onderhielden zij niet.+ 57  Ook bleven zij achterwaarts wijken en trouweloos handelen gelijk hun voorvaders;+ Zij wendden zich om als een slappe boog.+ 58  En zij bleven hem krenken met hun hoge plaatsen,+ En met hun gehouwen beelden bleven zij hem tot jaloezie prikkelen.+ 59  God hoorde+ het en werd verbolgen,+ En daarom versmaadde hij I̱sraël zeer.+ 60  En ten slotte gaf hij de tabernakel van Si̱lo prijs,+ De tent waarin hij onder aardse mensen verblijf had gehouden.+ 61  En voorts gaf hij zijn sterkte zelfs aan gevangenschap over+ En zijn luister in de hand van de tegenstander.+ 62  En hij bleef zijn volk louter aan het zwaard overleveren,+ En op zijn erfdeel werd hij verbolgen.+ 63  Zijn jonge mannen werden verteerd door een vuur, En zijn maagden werden niet geroemd.*+ 64  Wat zijn priesters betreft, zij vielen door het zwaard zelf,+ En hun* eigen weduwen gaven zich niet over aan geween.+ 65  Toen ontwaakte Jehovah* als uit de slaap,+ Als een machtige die nuchter wordt van de wijn.+ 66  En hij sloeg vervolgens zijn tegenstanders van achteren;+ Een smaad van onbepaalde duur gaf hij hun.+ 67  En hij verwierp voorts de tent van Jo̱zef;+ En de stam E̱fraïm verkoos hij niet.+ 68  Maar hij verkoos de stam Ju̱da,+ De berg Si̱on, die hij liefhad.+ 69  En hij ging zijn heiligdom bouwen net als de hoogten,+ Als de aarde, die hij tot onbepaalde tijd heeft gegrondvest.+ 70  En zo koos hij zijn knecht Da̱vid uit+ En nam hem weg van de schaapskooien.+ 71  Van achter de zogende moederdieren+ Haalde hij hem om herder te zijn over Ja̱kob, zijn volk,+ En over I̱sraël, zijn erfdeel.+ 72  En hij ging hen weiden naar de rechtschapenheid van zijn hart,+ En met de vaardigheid van zijn handen ging hij hen leiden.+

Voetnoten

Zie 32:Ops. vtn.
„Op God.” Hebr.: vEʼ·lo·himʹ.
„God.” Hebr.: ʼEl.
„God.” Hebr.: ʼEl.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
Of: „net als uit woelige wateren.” Hebr.: kith·ho·mōthʹ. Zie 33:7 vtn., „Woelige wateren”.
„God.” Hebr.: ʼEl.
„Tégen God.” Hebr.: bEʼ·lo·himʹ.
„Mensen.” Hebr.: ʼisj.
„Sterken”, d.w.z. bovenmenselijke wezens. Hebr.: ʼab·bi·rimʹ; LXXSyVg: „engelen”; T: „(dat neerdaalde uit) de woonplaats der engelen.”
„God.” Hebr.: ʼEl.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
Of: „een wind.” Hebr.: roeʹach.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „(builen)pest.”
Lett.: „der voortplantingsvermogens”, M; Sy: „van hun nageslacht”; TLXXVg: „van hun moeite(n) (arbeid).”
Lett.: „tenten.”
„Geroemd”, d.w.z. in bruiloftsliederen.
„Hun”, LXXSyVg; MT: „zijn.”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.