Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 77:1-20

Aan de leider, op Jedu̱thun.* Van A̱saf.+ Een melodie. 77  Met mijn stem wil ik het zelfs uitschreeuwen tot God* zelf,+ Met mijn stem tot God, en hij zal mij stellig het oor lenen.+   Op de dag van mijn benauwdheid heb ik Jehovah* zelf gezocht.+ ’s Nachts is mijn hand zelfs uitgestrekt* en wordt niet slap; Mijn ziel heeft geweigerd zich te laten troosten.+   Ik wil aan God denken en onstuimig zijn;+ Ik wil bezorgdheid tonen, opdat mijn geest bezwijkt.+ Sela.   Gij hebt mijn oogleden vastgehouden;+ Ik ben in beroering gebracht en kan niet spreken.+   Ik heb de dagen van weleer overdacht,+ De jaren in het onbepaalde verleden.   Ik wil in de nacht aan mijn snarenspel denken;+ Met mijn hart wil ik bezorgdheid tonen,+ En mijn geest zal grondig onderzoeken.   Zal Jehovah* tot onbepaalde tijden blijven verstoten,+ En zal hij voortaan geen welgevallen meer hebben?+   Is zijn liefderijke goedheid voor altijd ten einde?+ Is [zijn] woord op niets uitgelopen+ van geslacht tot geslacht?   Is God* vergeten gunstig gezind te zijn,+ Of heeft hij zijn barmhartigheden in toorn toegesloten?+ Sela. 10  En zal ik blijven zeggen: „Dit is het wat mij doorboort,+ Dat de rechterhand van de Allerhoogste verandert”?+ 11  Ik zal de daden van Jah* gedenken;+ Want ik wil uw wonderdaden van weleer gedenken.+ 12  En ik zal stellig over al uw activiteit mediteren,+ En met uw handelingen wil ik mij intens bezighouden.+ 13  O God,* uw weg is in de heilige plaats.+ Wie is een groot God* gelijk God?+ 14  Gij zijt de [ware] God, die wonderen doet.+ Gij hebt onder de volken uw sterkte bekendgemaakt.+ 15  Met [uw] arm hebt gij uw volk teruggehaald,+ De zonen van Ja̱kob en van Jo̱zef. Sela. 16  De wateren hebben u gezien, o God, De wateren hebben u gezien; ze krompen voorts van pijn ineen.+ Ook kwamen de waterdiepten* in beroering.+ 17  De wolken hebben donderend water neergestort;+ Een geluid heeft de wolkenhemel doen horen. Ook vlogen uw eigen pijlen voorts naar alle kanten.+ 18  Het geluid van uw donder was als wagenwielen;+ Bliksemstralen hebben het productieve land* verlicht;+ De aarde geraakte in beroering en ging schudden.+ 19  Door de zee liep uw weg,+ En uw pad door vele wateren; En zelfs uw voetsporen zijn niet bekend geworden. 20  Gij hebt uw volk geleid net als een kudde,+ Door de hand van Mo̱zes en Aä̱ron.+

Voetnoten

Zie 39:Ops. vtn.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ; TLXXVg: „Jehovah.”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Lett.: „uitgegoten (uitgestort).”
Zie vs. 2 vtn., „Jehovah”.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Zie 68:4 vtn.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Zie Ex 15:5 vtn.
„Het productieve land.” Hebr.: te·velʹ; LXX: „de bewoonde aarde”; Lat.: orʹbi terʹrae, „het rond der aarde”.