Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 69:1-36

Aan de leider, op „De lelies”.*+ Van Da̱vid. 69  Red mij, o God, want de wateren zijn helemaal tot aan de ziel* gekomen.+   Ik ben weggezakt in diepe modder, waar geen grond is om te staan.+ Ik ben in diepe wateren gekomen, En een snelvlietende stroom* zelf heeft mij meegesleurd.+   Ik ben moe geworden wegens mijn roepen;+ Mijn keel is hees geworden. Mijn ogen hebben het begeven tijdens het wachten op mijn God.+   Zij die mij zonder reden haten, zijn zelfs meer geworden dan de haren van mijn hoofd.+ Zij die mij tot zwijgen brengen, die zonder grond mijn vijanden zijn, zijn talrijk geworden.+ Wat ik niet door roof had weggenomen, ging ik toen teruggeven.   O God, gijzelf zijt mijn dwaasheid te weten gekomen, En voor u is mijn eigen schuld niet verborgen.+   O mogen zij die op u hopen, niet beschaamd worden wegens mij,+ O Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen.+ O mogen zij die u zoeken, niet te schande worden wegens mij,+ O God van I̱sraël.+   Want wegens u heb ik smaad gedragen,+ Schande heeft mijn aangezicht bedekt.+   Voor mijn broeders ben ik iemand geworden die vervreemd is,+ En een buitenlander voor de zonen van mijn moeder.+   Want louter ijver voor uw huis heeft mij verteerd,+ En zelfs de smaadheden van hen die u smaden, zijn op mij gevallen.+ 10  En ik ging bij het vasten van mijn ziel wenen,+ Maar het werd mij tot smaadheden.+ 11  Wanneer ik een zak tot mijn kleding maakte, Dan werd ik hun tot een spreekwoord.+ 12  Zij die in de poort zitten, gingen zich met mij bezighouden,+ En [ik was] het onderwerp van de liedjes der drinkers van bedwelmende drank.+ 13  Maar wat mij aangaat, mijn gebed was tot u, o Jehovah,*+ In een tijd van aanvaarding, o God.+ Antwoord mij, in de overvloed van uw liefderijke goedheid, met de waarheid van de redding door u.+ 14  Bevrijd mij uit het slijk, opdat ik niet wegzak.+ O moge ik bevrijd worden van hen die mij haten+ en uit de diepe wateren.+ 15  O moge de snelvlietende stroom van wateren mij niet meesleuren,+ Noch de diepte mij verzwelgen, Noch de put zijn mond over mij sluiten.+ 16  Antwoord mij, o Jehovah, want uw liefderijke goedheid is goed.+ Wend u tot mij naar de veelheid van uw barmhartigheden,+ 17  En verberg uw aangezicht niet voor uw knecht.+ Antwoord mij snel, want ik verkeer erg in benauwdheid.+ 18  Nader toch tot mijn ziel, eis haar op;+ Verlos mij wegens mijn vijanden.+ 19  Gijzelf zijt mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande te weten gekomen.+ Allen die blijk geven van vijandschap jegens mij, staan u voor ogen.+ 20  Ja, smaad heeft mijn hart gebroken, en [de wond] is ongeneeslijk.+ En ik hoopte steeds dat iemand medegevoel zou tonen, maar er was er geen;+ En op troosters, maar ik vond er geen.+ 21  Maar tot voedsel* gaven zij [mij] een giftige plant,*+ En voor mijn dorst trachtten zij mij azijn te doen drinken.+ 22  Laat hun tafel* [die] vóór hen [staat,] tot een val worden,+ En wat voor hun welzijn is, een strik.+ 23  Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;+ En doe zelfs hun heupen voortdurend wankelen.+ 24  Stort uw openlijke veroordeling over hen uit,+ En moge uw eigen brandende toorn hen achterhalen.+ 25  Laat hun ommuurde kamp woest en verlaten worden;+ Moge er in hun tenten geen bewoner komen.+ 26  Want degene die gijzelf geslagen hebt, hebben zij vervolgd,+ En de smarten van hen die door u zijn doorboord, blijven zij verhalen. 27  Voeg toch dwaling bij hun dwaling,+ En mogen zij niet tot uw rechtvaardigheid komen.+ 28  Laten zij uit het boek der levenden* worden gewist,+ En mogen zij niet worden ingeschreven met de rechtvaardigen.+ 29  Maar ik ben ellendig en lijd smart.+ Moge uw eigen redding, o God, mij beschermen.+ 30  Ik wil de naam van God* loven met een lied,+ En ik wil hem grootmaken met dankzegging.+ 31  Dit zal Jehovah* ook welgevalliger zijn dan een stier,+ Dan een jonge stier die hoorns draagt, die gespleten hoeven heeft.+ 32  De zachtmoedigen zullen [het] stellig zien; zij zullen zich verheugen.+ GIJ die God zoekt, laat UW hart ook in leven blijven.+ 33  Want Jehovah luistert naar de armen,+ En hij zal zijn eigen gevangenen* inderdaad niet verachten.+ 34  Dat hemel en aarde hem loven,+ De zeeën en al wat zich daarin beweegt.+ 35  Want God zelf zal Si̱on redden+ En de steden van Ju̱da bouwen;+ En zij zullen daar stellig wonen en het* in bezit nemen.+ 36  En het nageslacht* van zijn knechten zelf zal het beërven,+ En degenen die zijn naam liefhebben, díé zullen daarin verblijven.+

Voetnoten

Zie 45:Ops. vtn., „Lelies”.
Of: „het leven.” Hebr.: na′fesj; T(Aram.)Syr.: naf·sjaʼ; Gr.: psu′ches; Lat.: a′ni·mam.
„En een snelvlietende stroom.” Hebr.: wesjib·bo′leth.
„Jehovah.” Hebr.: Jehwah′; fragment SymP.Vindob.G.39777:  of  , het Tetragrammaton in oude Hebr. lettertekens. Zie App. 1C (9).
Of: „brood der vertroosting.”
Of: „gaven zij mij voorts gif.”
D.w.z. offertafel. Of: „feestmaal.”
Of: „boek des levens.”
„God.” Hebr.: ʼElo·him′. Fragment SymP.Vindob.G.39777 heeft hier „Jehovah God”, met het Tetragrammaton in oude Hebr. lettertekens ( of ). Zie App. 1C (9).
Zie App. 1C (9).
Of: „de zijnen die gevangenen zijn.”
„Het”, in het Hebr. vr., doelend op het land.
Lett.: „zaad.”