Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 69:1-36

Aan de leider, op „De lelies”.*+ Van Da̱vid. 69  Red mij, o God, want de wateren zijn helemaal tot aan de ziel* gekomen.+   Ik ben weggezakt in diepe modder, waar geen grond is om te staan.+Ik ben in diepe wateren gekomen,En een snelvlietende stroom* zelf heeft mij meegesleurd.+   Ik ben moe geworden wegens mijn roepen;+Mijn keel is hees geworden.Mijn ogen hebben het begeven tijdens het wachten op mijn God.+   Zij die mij zonder reden haten, zijn zelfs meer geworden dan de haren van mijn hoofd.+Zij die mij tot zwijgen brengen, die zonder grond mijn vijanden zijn, zijn talrijk geworden.+Wat ik niet door roof had weggenomen, ging ik toen teruggeven.   O God, gijzelf zijt mijn dwaasheid te weten gekomen,En voor u is mijn eigen schuld niet verborgen.+   O mogen zij die op u hopen, niet beschaamd worden wegens mij,+O Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen.+O mogen zij die u zoeken, niet te schande worden wegens mij,+O God van I̱sraël.+   Want wegens u heb ik smaad gedragen,+Schande heeft mijn aangezicht bedekt.+   Voor mijn broeders ben ik iemand geworden die vervreemd is,+En een buitenlander voor de zonen van mijn moeder.+   Want louter ijver voor uw huis heeft mij verteerd,+En zelfs de smaadheden van hen die u smaden, zijn op mij gevallen.+ 10  En ik ging bij het vasten van mijn ziel wenen,+Maar het werd mij tot smaadheden.+ 11  Wanneer ik een zak tot mijn kleding maakte,Dan werd ik hun tot een spreekwoord.+ 12  Zij die in de poort zitten, gingen zich met mij bezighouden,+En [ik was] het onderwerp van de liedjes der drinkers van bedwelmende drank.+ 13  Maar wat mij aangaat, mijn gebed was tot u, o Jehovah,*+In een tijd van aanvaarding, o God.+Antwoord mij, in de overvloed van uw liefderijke goedheid, met de waarheid van de redding door u.+ 14  Bevrijd mij uit het slijk, opdat ik niet wegzak.+O moge ik bevrijd worden van hen die mij haten+ en uit de diepe wateren.+ 15  O moge de snelvlietende stroom van wateren mij niet meesleuren,+Noch de diepte mij verzwelgen,Noch de put zijn mond over mij sluiten.+ 16  Antwoord mij, o Jehovah, want uw liefderijke goedheid is goed.+Wend u tot mij naar de veelheid van uw barmhartigheden,+ 17  En verberg uw aangezicht niet voor uw knecht.+Antwoord mij snel, want ik verkeer erg in benauwdheid.+ 18  Nader toch tot mijn ziel, eis haar op;+Verlos mij wegens mijn vijanden.+ 19  Gijzelf zijt mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande te weten gekomen.+Allen die blijk geven van vijandschap jegens mij, staan u voor ogen.+ 20  Ja, smaad heeft mijn hart gebroken, en [de wond] is ongeneeslijk.+En ik hoopte steeds dat iemand medegevoel zou tonen, maar er was er geen;+En op troosters, maar ik vond er geen.+ 21  Maar tot voedsel* gaven zij [mij] een giftige plant,*+En voor mijn dorst trachtten zij mij azijn te doen drinken.+ 22  Laat hun tafel* [die] vóór hen [staat,] tot een val worden,+En wat voor hun welzijn is, een strik.+ 23  Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;+En doe zelfs hun heupen voortdurend wankelen.+ 24  Stort uw openlijke veroordeling over hen uit,+En moge uw eigen brandende toorn hen achterhalen.+ 25  Laat hun ommuurde kamp woest en verlaten worden;+Moge er in hun tenten geen bewoner komen.+ 26  Want degene die gijzelf geslagen hebt, hebben zij vervolgd,+En de smarten van hen die door u zijn doorboord, blijven zij verhalen. 27  Voeg toch dwaling bij hun dwaling,+En mogen zij niet tot uw rechtvaardigheid komen.+ 28  Laten zij uit het boek der levenden* worden gewist,+En mogen zij niet worden ingeschreven met de rechtvaardigen.+ 29  Maar ik ben ellendig en lijd smart.+Moge uw eigen redding, o God, mij beschermen.+ 30  Ik wil de naam van God* loven met een lied,+En ik wil hem grootmaken met dankzegging.+ 31  Dit zal Jehovah* ook welgevalliger zijn dan een stier,+Dan een jonge stier die hoorns draagt, die gespleten hoeven heeft.+ 32  De zachtmoedigen zullen [het] stellig zien; zij zullen zich verheugen.+GIJ die God zoekt, laat UW hart ook in leven blijven.+ 33  Want Jehovah luistert naar de armen,+En hij zal zijn eigen gevangenen* inderdaad niet verachten.+ 34  Dat hemel en aarde hem loven,+De zeeën en al wat zich daarin beweegt.+ 35  Want God zelf zal Si̱on redden+En de steden van Ju̱da bouwen;+En zij zullen daar stellig wonen en het* in bezit nemen.+ 36  En het nageslacht* van zijn knechten zelf zal het beërven,+En degenen die zijn naam liefhebben, díé zullen daarin verblijven.+

Voetnoten

Zie 45:Ops. vtn., „Lelies”.
Of: „het leven.” Hebr.: naʹfesj; T(Aram.)Syr.: naf·sjaʼ; Gr.: psuʹches; Lat.: aʹni·mam.
„En een snelvlietende stroom.” Hebr.: wesjib·boʹleth.
„Jehovah.” Hebr.: Jehwahʹ; fragment SymP. Vindob. G. 39777, het Tetragrammaton in oude Hebr. lettertekens. Zie App. 1C (9).
Of: „brood der vertroosting.”
Of: „gaven zij mij voorts gif.”
D.w.z. offertafel. Of: „feestmaal.”
Of: „boek des levens.”
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ. Fragment SymP. Vindob. G. 39777 heeft hier „Jehovah God”, met het Tetragrammaton in oude Hebr. lettertekens. Zie App. 1C (9).
Zie App. 1C (9).
Of: „de zijnen die gevangenen zijn.”
„Het”, in het Hebr. vr., doelend op het land.
Lett.: „zaad.”