Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 58:1-11

Aan de leider. „Verderf niet.” Van Da̱vid. Miktam.* 58  Kunt GIJ [in UW] verstomming werkelijk nog over rechtvaardigheid spreken?+ Kunt GIJ nog naar recht oordelen, o GIJ mensenzonen?*+   Hoezeer beoefent GIJ met het hart veeleer volslagen onrechtvaardigheid op de aarde,+ [En] baant GIJ de weg voor niets dan het geweld van UW handen!+   De goddelozen zijn al ontaard vanaf de moederschoot;+ Zij hebben gedoold vanaf de buik; Zij spreken leugens.+   Hun gif is als het gif van de slang,+ Doof als de cobra die haar oor toesluit,+   Die niet zal luisteren naar de stem der bezweerders,+ Ook al is een wijs persoon bezig door banspreuken te binden.*+   O God, sla hun tanden uit hun mond.+ Verbreek zelfs de kaken van jonge leeuwen met manen, o Jehovah.   Mogen zij oplossen als in wateren die weglopen;+ Moge hij [de boog voor] zijn pijlen spannen terwijl zij ineenstorten.+   Als een wegsmeltende slak* loopt hij; Als een misgeboorte van een vrouw zullen zij stellig de zon niet aanschouwen.+   Voordat UW potten de [aangestoken] doornstruik bemerken,+ Zowel het levende groen als dat wat brandt, zal hij hen als een stormachtige wind wegvoeren.+ 10  De rechtvaardige zal zich verheugen omdat hij de wraak heeft aanschouwd.+ Zijn schreden zal hij baden in het bloed van de goddeloze.+ 11  En de mensen zullen zeggen:+ „Waarlijk, er is vrucht voor de rechtvaardige.+ Waarlijk, er bestaat een God die als rechter optreedt* op de aarde.”+

Voetnoten

Zie 16:Ops. vtn.
Of: „zonen van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dham′].”
Zie App. 7A met betrekking tot het feit dat cobra’s op geluid reageren.
Of: „een slak die een slijmspoor achterlaat.”
„Die als rechter optreedt.” Hebr.: sjo·fetim′, mv. in overeenstemming met ʼElo·him′, „God”, dat mv. is ter aanduiding van uitnemendheid en verhevenheid; LXXSyVg hebben het deelwoord in het enk.: „die hen richt (oordeelt).”