Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 55:1-23

Aan de leider, op snaarinstrumenten. Maskil.* Van Da̱vid. 55  Leen toch het oor, o God, aan mijn gebed;+ En verberg u niet voor mijn verzoek om gunst.+   Schenk toch aandacht aan mij en antwoord mij.+ Ik word rusteloos heen en weer gedreven door mijn bezorgdheid,+ En ik kan niet anders dan van ongerustheid blijk geven,   Vanwege de stem van de vijand, wegens de druk van de goddeloze.+ Want zij blijven op mij neerwerpen wat schadelijk is,+ En in toorn koesteren zij een vijandige gezindheid jegens mij.+   Mijn eigen hart krimpt in mij van pijn ineen,+ En de verschrikkingen van de dood zelf zijn op mij gevallen.+   Vrees, ja, louter beving bekruipt mij,+ En siddering overdekt mij.   En ik blijf zeggen: „O had ik maar vleugels als een duif!+ Ik zou wegvliegen en [elders] verblijven.+   Zie! Ik zou ver weg vluchten;+ Ik zou in de wildernis overnachten.+ — Sela —   Ik zou mij haasten naar een plaats van ontkoming voor mij Tegen de voortgestuwde* wind, tegen de orkaan.”+   Verwar, o Jehovah,* verdeel hun tong,+ Want ik heb geweld en geredetwist gezien in de stad.+ 10  Dag en nacht gaan zij eromheen op haar muren;+ En schadelijkheid en moeite zijn daarbinnen.+ 11  Onheilen zijn daarbinnen; En van haar openbare plein zijn verdrukking en bedrog niet geweken.+ 12  Want het was niet een vijand die mij ging smaden;+ Anders zou ik het kunnen verdragen. Het was geen intense hater van mij die een groot air tegen mij aannam;+ Anders kon ik mij voor hem verbergen.+ 13  Maar gij waart het, een sterfelijk mens die als mijn gelijke was,+ Iemand die vertrouwd met mij was en mijn kennis,+ 14  Want wij genoten altijd zoete vertrouwelijke omgang met elkaar;+ Naar het huis van God wandelden wij altijd in de dichte drom.+ 15  [Dat] er verwoestingen over hen [komen]!+ Laat hen levend in Sjeo̱o̱l neerdalen;+ Want tijdens hun inwonende vreemdelingschap zijn er slechte dingen in hun binnenste geweest.+ 16  Wat mij betreft, ik zal tot God roepen;+ En Jehovah zelf zal mij redden.+ 17  ’s Avonds en ’s morgens en ’s middags kan ik niet anders dan van bezorgdheid blijk geven en ik kreun,+ En hij hoort mijn stem.+ 18  Hij zal mijn ziel stellig verlossen [en] in vrede [stellen] van de strijd die er tegen mij is,+ Want met velen zijn zij tegen mij gekomen.+ 19  God* zal horen en hen antwoorden,+ Ja, Hij die [op de troon] gezeten is zoals in het verleden+ — Sela — Hen bij wie geen veranderingen* zijn+ En die God niet hebben gevreesd.+ 20  Hij heeft zijn handen uitgestoken tegen hen die met hem in vrede zijn;+ Hij heeft zijn verbond ontwijd.+ 21  Gladder dan boter* zijn [de woorden van] zijn mond,+ Maar zijn hart is geneigd tot strijd.*+ Zijn woorden zijn zachter dan olie,+ Maar het zijn getrokken zwaarden.+ 22  Werp uw last* op Jehóvah,+ En hijzelf zal u schragen.+ Nooit zal hij toelaten dat de rechtvaardige wankelt.+ 23  Maar gijzelf, o God, zult hen doen neerdalen in de diepste kuil.+ Wat de mannen van bloedschuld* en bedrog betreft, zij zullen het niet tot de helft van hun dagen brengen.*+ Maar wat mij aangaat, ik zal op u vertrouwen.+

Voetnoten

Zie 32:Ops. vtn.
„Lasterende”, volgens een andere afleiding van het deelwoord.
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „wisselvalligheden”; of: „wederzijdse verplichtingen.”
„Dan boter”, door een correctie van M.
Lett.: „is strijd (oorlog).”
Of: „uw lot (dat wat u is gegeven).”
Lett.: „bloed” in het mv.
Lett.: „zullen hun dagen niet halveren.”