Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 53:1-6

Aan de leider over Ma̱halath.*+ Maskil.* Van Da̱vid. 53  De persoon zonder verstand heeft in zijn hart gezegd: „Er is geen Jehovah.”*+ Zij hebben verderfelijk gehandeld en hebben verfoeilijk gehandeld in onrechtvaardigheid;+ Er is niemand die het goede doet.+   Wat God* betreft, vanuit de hemel heeft hij neergezien op de mensenzonen,+ Om te zien of er iemand bestaat die inzicht heeft,* iemand die Jehovah* zoekt.+   Allen zijn zij achterwaarts geweken, zij zijn [allen] te zamen verdorven;+ Er is niemand die het goede doet,+ Zelfs niet één.   Heeft dan geen van de beoefenaars van wat schadelijk is, kennis verkregen,+ Die mijn volk opeten zoals zij brood hebben gegeten?+ Zij hebben zelfs Jehovah* niet aangeroepen.+   Daar werden zij met grote angst vervuld,*+ Waar klaarblijkelijk geen angst was geweest;+ Want God* zelf zal stellig de beenderen verstrooien van al wie zich tegen u legert.+ Gij zult [hen] stellig beschaamd doen staan, want Jehovah* zelf heeft hen verworpen.+   O dat uit Si̱on de grootse redding van I̱sraël mocht dagen!+ Wanneer Jehovah* de gevangenen van zijn volk laat terugkeren,*+ Moge Ja̱kob dan blij zijn, moge I̱sraël zich verheugen.+

Voetnoten

„Mahalath.” Hebr.: ma·chalath′; waarschijnlijk een muziekterm, misschien van technische aard.
„Maskil.” Zie 32:Ops. vtn.
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·him′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„God”, MTVg; in de parallelle tekst in 14:2: „Jehovah.”
„Die inzicht heeft.” Of: „die met doorzicht handelt.” Hebr.: mas·kil′. Vgl. 32:Ops. vtn.
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·him′ hebben veranderd; T en 14:2: „Jehovah”; MLXXVg: „God.” Zie App. 1B.
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·him′ hebben veranderd; T, enkele Hebr. hss. en 14:4: „Jehovah”; MLXXSyVg: „God.” Zie App. 1B.
Lett.: „werden zij beangst met een angst.”
„God”, MLXXVg; twee Hebr. hss.: „Jehovah.”
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·him′ hebben veranderd; T: „Jehovah.” Zie App. 1B.
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·him′ hebben veranderd; TLXXSy, veel Hebr. hss. en 14:7: „Jehovah.” Zie App. 1B.
Of: „terugkeert met . . . .”