Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 50:1-23

Een melodie van A̱saf.+ 50  De Goddelijke,+ God, Jehovah,*+ heeft zelf gesproken,+ En hij roept voorts de aarde,*+ Van de opgang der zon tot haar ondergang.+   Uit Si̱on, volmaakt in schoonheid,+ is God zelf in lichtglans verschenen.+   Onze God zal komen en kan onmogelijk het stilzwijgen bewaren.*+ Vóór hem uit verslindt een vuur,+ En rondom hem is het buitengewoon stormachtig weer geworden.+   Hij roept tot de hemel daarboven en tot de aarde,+ Om gericht te houden over zijn volk:+   „Vergadert mij mijn loyalen,+ Die mijn verbond* sluiten* over slachtoffer.”+   En de hemel vertelt van zijn rechtvaardigheid,+ Want God zelf is Rechter.*+ Sela.   „Luister toch, o mijn volk, en ik wil spreken,+ O I̱sraël, en ik wil tegen u getuigen.*+ Ik ben God, uw God.+   Niet aangaande uw slachtoffers wijs ik u terecht,+ Noch [aangaande] uw volledige brandoffers, [die] bestendig vóór mij [zijn].+   Ik wil geen stier uit uw huis nemen,+ [Noch] bokken uit uw kooien. 10  Want aan mij behoort al het wild gedierte van het woud toe,+ De beesten op duizend bergen.+ 11  Ik ken elk gevleugeld schepsel van de bergen heel goed,+ En het gewemel van dieren op het open veld is bij mij.+ 12  Indien ik honger had, zou ik het u niet zeggen; Want aan mij behoren het productieve land*+ en zijn volheid toe.+ 13  Zal ik het vlees van sterke [stieren] eten,+ En soms het bloed van bokken drinken?+ 14  Breng God dankzegging als uw slachtoffer,+ En betaal de Allerhoogste uw geloften;+ 15  En roep mij aan op de dag der benauwdheid.+ Ik zal u verlossen, en gij zult mij verheerlijken.”+ 16  Maar tot de goddeloze zal God moeten zeggen:+ „Wat voor recht hebt gij om mijn voorschriften op te sommen,+ En mijn verbond* in uw mond te nemen?+ 17  Zie, gij — gij hebt streng onderricht gehaat,+ En gij blijft mijn woorden achter u werpen.+ 18  Wanneer gij ook maar een dief zaagt, waart gij zelfs ingenomen met hem;*+ En uw deel was met overspelers.+ 19  Uw mond hebt gij laten gaan in slechtheid,+ En uw tong laat gij aan bedrog verbonden blijven.+ 20  Gij zit neer [en] spreekt tegen uw eigen broeder,+ Ten nadele van de zoon van uw moeder stelt gij een gebrek aan de kaak.+ 21  Deze dingen hebt gij gedaan, en ik bewaarde het stilzwijgen.+ Gij hebt u ingebeeld dat ik beslist wel zo zou worden als gij.+ Ik zal u terechtwijzen,+ en ik wil orde op zaken stellen voor uw ogen.+ 22  Begrijpt dit, alstublieft, GIJ Godvergeters,*+ Opdat ik [U] niet verscheur zonder dat er ook maar een bevrijder is.+ 23  Wie dankzegging als zijn slachtoffer brengt, díé verheerlijkt mij;+ En wat degene betreft die een vastgestelde weg aanhoudt, Ik zal hem stellig de redding door God* doen zien.”+

Voetnoten

„De Goddelijke, God, Jehovah.” Of: „De God der goden, Jehovah.” Hebr.: ʼEl ʼElo·himʹ Jehwahʹ. Zie Joz 22:22 vtn., „Jehovah”.
„En de aarde wordt bevreesd”, door een verandering in M.
Of: „doof zijn”, voor gebeden.
Of: „het verbond met mij.”
Lett.: „snijden.”
„Een God van recht is hij”, door een andere consonantenverdeling en vocalisatie.
Of: „ik wil u vermanen (waarschuwen).”
„Het productieve land.” Hebr.: the·velʹ; LXX: „de bewoonde aarde”; Lat.: orʹbis terʹrae, „het rond der aarde”.
„Mijn verbond”, zoals in vs. 5.
„Waart gij zelfs ingenomen met hem”, M; TLXXSyVg: „liept gij zelfs hard met hem mee.”
„Godvergeters.” Voor „God” staat in het Hebr. ʼElōʹah.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.