Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Taal selecteren Nederlands

Psalm 5:1-12

Aan de leider, voor Ne̱chiloth.* Een melodie van Da̱vid. 5  Leen toch aan mijn woorden het oor,+ o Jehovah;Versta toch mijn zuchten.   Schenk toch aandacht aan het geluid van mijn hulpgeschreeuw,+O mijn Koning+ en mijn God, want tot u bid ik.+   O Jehovah, in de morgen zult gij mijn stem horen;+In de morgen zal ik mij tot u richten en [naar u] uitzien.+   Want gij zijt geen God die behagen schept in goddeloosheid;+Niemand die slecht is,* mag ook maar voor enige tijd bij u vertoeven.+   Geen pochers mogen zich voor uw ogen stellen.+Gij haat werkelijk allen die het schadelijke beoefenen;+   Gij zult de leugensprekers verdelgen.+Een man van bloedvergieten*+ en bedrog+ wordt door Jehovah verfoeid.   Wat mij aangaat, in de overvloed van uw liefderijke goedheid*+Zal ik uw huis binnengaan,+Ik zal mij neerbuigen in de richting van uw heilige tempel* in de vrees voor u.+   O Jehovah, leid mij in uw rechtvaardigheid+ wegens mijn vijanden;+Effen uw weg voor mijn aangezicht.+   Want in hun* mond is niets betrouwbaars;+Hun binnenste is waarlijk onheil.+Hun keel is een geopende grafstede;+Een gladde tong gebruiken zij.*+ 10  God zal hen stellig voor schuldig houden;+Zij zullen vallen door hun eigen raadslagen.+Laten zij in de veelheid van hun overtredingen uiteengedreven worden,*+Want zij zijn weerspannig tegen u geweest.+ 11  Maar allen die hun toevlucht tot u nemen, zullen zich verheugen;+Tot onbepaalde tijd* zullen zij een vreugdegeroep aanheffen.+En gij zult de toegang tot hen versperren,En zij die uw naam liefhebben, zullen uitbundige vreugde in u hebben.+ 12  Want gijzelf zult al wie rechtvaardig is zegenen,+ o Jehovah;Als met een groot schild+ zult gij hen met goedkeuring omringen.+

Voetnoten

„Voor Nechiloth.” De betekenis is onzeker. Het kan de naam van een blaasinstrument zijn of de aanduiding van een melodie. LXXVg: „voor de erfgename.”
Of: „niets slechts.”
Lett.: „Een man van bloed (mv.).” Hebr.: ʼisj-da·mimʹ, mv.
Of: „loyale liefde.”
„Uw heilige tempel.” Hebr.: hē·khal-qodh·sjekhaʹ; Gr.: naʹon haʹgi·on; Lat.: temʹplum sancʹtum. Vgl. 2Kon 20:18 vtn. Zie Mt 23:16 vtn.
„Hun”, LXXSyVg; M: „zijn.”
Lett.: „hun tong maken zij glad.”
„Laten . . . uiteengedreven worden.” In het Hebr. is dit een ww. in de infinitivus constructus, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
„Tot onbepaalde tijd.” Hebr.: leʽō·lamʹ.