Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 46:1-11

Aan de leider. Van de zonen van Ko̱rach,+ op „De meisjes”.* Een lied. 46  God* is voor ons een toevlucht en sterkte,+ Een hulp die gemakkelijk te vinden is in benauwdheden.+   Daarom zullen wij niet vrezen, al ondergaat de aarde een verandering+ En al wankelen de bergen [en vallen ze] in het hart van de uitgestrekte zee;+   Al zijn haar wateren onstuimig, schuimen [ze] over,+ Al schudden de bergen bij haar geweld.+ Sela.   Er is een rivier waarvan de stromen de stad van God verheugen,+ De hoogheilige, grootse tabernakel* van de Allerhoogste.+   God is in het midden van [de stad];*+ ze zal niet aan het wankelen worden gebracht.+ God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.+   De natiën werden onstuimig,+ de koninkrijken wankelden; Hij liet zijn stem weerklinken,* waarop de aarde versmolt.+   Jehovah* der legerscharen is met ons;+ De God* van Ja̱kob is ons een veilige hoogte.+ Sela.   Komt, aanschouwt de activiteiten van Jehovah,*+ Hoe hij verbazingwekkende gebeurtenissen op de aarde heeft gesteld.+   Hij doet oorlogen ophouden tot het uiteinde* der aarde.+ De boog verbreekt hij en hij slaat de speer werkelijk aan stukken;+ De wagens* verbrandt hij in het vuur.+ 10  „Geeft U gewonnen en weet dat ik God ben.+ Ik zal stellig verhoogd worden onder de natiën,+ Ik zal stellig verhoogd worden op de aarde.”+ 11  Jehovah* der legerscharen is met ons;+ De God van Ja̱kob is ons een veilige hoogte.+ Sela.

Voetnoten

„De meisjes.” Hebr.: ʽAla·mōth′. Zie 1Kr 15:20 vtn.
„God.” Hebr.: ʼElo·him′.
„Grootse tabernakel.” Lett.: „tabernakels”, mv. ter aanduiding van verhevenheid. Vgl. 42:5 vtn., „Redding”.
Lett.: „haar”, doelend op de stad.
„Liet . . . weerklinken.” Lett.: „gaf . . . .”
Zie App. 1C (10).
„De God van.” Hebr.: ʼElo·hē′.
Zie App. 1C (10).
„Wagens”, MSy; LXXVg: „grote schilden.”
Zie App. 1C (10).